Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/22

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

14

ADAM heeft, en niet, och, ik bid u, niet! in die afschuwelijke ijzeren schommels (een soort van groote lijsterbogen) in eeuwige beweging! Den boa, in 't verschiet om een boom in schoone verleidelijke bochten gekronkeld en naar den noodlottigen appel opziende; den adelaar, hoog in de lucht zwevende, als een naauwlijks merkbaar stip; ja! dan nog veel liever geheel onzichtbaar dan zóó als ik hem in een beestenspel zie.... Zoo zou 't my aangenaam en belangrijk zijn. — Maar hier in deze enge, bekrompene hokken, achter die dikke tralies, in die slaafsche, weerlooze, gedrukte, angstige houding, — o! een beestenspel is een gevangenis, een oudenmannenhuis een klooster vol uitgeteerde bedelmonniken, een hospitaal is het, een bedlam vol idioten.

Gy hebt nog nooit een leeuw gezien; gy stelt u iets majestueus voor, een ideaal van kracht, grootheid, waardigheid en moed; een wezen geheel woede, maar bedwongen door zelfbeheersching, voor zoo lang het verkiest; den koning der dieren. Welnu, verplaatsen wy ons met onze verbeelding in de woestijn van Barbaryen.

Het is nacht, het is het kwade saizoen. De lucht is donker; de wolken zijn dik, en drijven onstuimig en snel heen en weder; de maan scheurt ze nu en dan met een waterachtigen straal. De wind huilt door 't gebergte; de regen ruischt; van verre gromt de donder. Ziet gy daar dat gevaarte, met dichte struiken bewassen, zich afteekenen tegen de lucht; — ziet gy daarin die donkere rotskloof, beneden gapende, boven zich verliezende in heesters en distelen? Het bliksemt; ziet gy ze? Houd uw oog derwaarts gericht. Het is alles duisternis. Let op. Wat is dat? 't Is het glinsteren van twee oogen: gloeiende kolen. Hoor toe! Dat was de donder niet: het was een schor gehuil: het diepe geluid van een leeuw die ontwaakt. Hy tilt zich uit zijn hol naar boven. Hy rekt zich uit. Een oogenblik staat hy met opgeheven hoofd brullende stil. Hy schudt de zwarte manen. Eén sprong!... Achter uw wachtvuur, onvoorzichtige! Hongerig gaat hy om; met woeste bewegingen, met ongeregelde sprongen, met schrikkelijke geluiden.

Wien zal het gelden? Een breedgeschoften buffel misschien, die hem met gebukten hoofde en sterke hoornen zal opwachten. Geen nood: hy zal hem aanvliegen; hy zal zijne nagelen klemmen in zijne lenden; hy zal aan hem hangen blijven; hy zal hem de blanke slachttanden in den korten, rimpeligen nek slaan; één oogenblik — en hy zal hem afmaken, hem in stukken scheuren en zijnen honger verzadigen. Dan zult gy hem met rooden muil en bespatte manen rustig zien nederliggen, zijn zege genietende, trotsch op zijn koningschap.

Welnu! die koning der dieren, die schrik der woestijn, die geduchte, die woedende, is hier. Ziedaar de antichambre van zijn paleis; dit vanvoren open vertrek, middending tusschen een salon, een kantoor en een tentoonstelling van schilderyen. Deze heraut, met