Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/223

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

'S WINTERS BUITEN.


Onder de dingen, die men, zonder veel nadenken gewoon is by zichzelven vast te stellen, behoort onder anderen de meening dat het, des winters, buiten even zoo onaangenaam is als des zomers louter gelukzaligheid. Menschen, die niet zonder opera's, concerten en soirées leven kunnen; mannen, die behoefte hebben dagelijks de societeit te bezoeken, en vrouwen, die niet gelukkig zijn of zy moeten ten minste eenmaal des weeks groot toilet maken, mogen zich in dit denkbeeld vastzetten, maar voor stille huislijke gemoederen, die van het by uitstek wareldsche genoeg hebben, en den cirkel hunner genoegens, het zij die les hun zachter of gevoeliger is voorgehouden, zachtjens aan hebben leeren inkrimpen, voor hen is het er in den kouder tijd vooral niet minder genoegelijk als in het warme saisoen; ja, geloof my, indien ik u zeg, dat op het stille land, de winter oneindig veel korter valt dan in de stad met al hare — ressources! Daar toch maakt hy, met zijne voorhoede en nasleep van donkere dagen, een groot en langdurig jaargetijde uit, dat men door allerhande in 't oog loopende kunstmiddelen zoekt op te korten en door te komen; buiten daarentegen, is hy slechts de spoedige overgang van een gerekte herfst tot eene vroege lente. Want hoe kort een tijd verloopt er tusschen het afvallen van het laatste eikenblad tot op het uitloopen van den voorlijksten kastanjeboom!

Als het twee dagen van de zeven hard waait, en twee andere dagen regent en hagelt dat het een weinig klettert, dan blijven de steêlui binnen hunne muren, ook zelfs gedurende de drie dagen van de week die overblijven, waarop de zon by tijden door de wolken breekt en allerliefst schijnt over de kwijnende natuur; want zy hebben van 's morgens af dat zy hun bed verlieten, tot twaalf ure toe, een nevel gezien, en weten niet welk mooi weer daar in het najaar gewoonlijk op volgt; en al weten zy dat ook, "zy gaan niet meer uit; zy kunnen niet meer op het weer aan;" zy durven niet zònder, zy willen niet mèt een regenscherm wandelen; hun toch noodzakelijke overjas valt hun te zwaar; en honderdmaal op een dag herhalen zy voor elkander de afgesletene opmerking, "dat dit weer erger is dan een fiksche kou," en dat zy naar een vuurtjen zouden verlangen, om de nattigheid, en ook stellig