216
stoken zouden indien het maar november ware. Het is dan half october, en hun winter is formeel begonnen.
Met november komt het vuurtjen, komen de tochtlatten met schapenvacht, de lange avonden, de morsige straten, en de onstichtelijke koude in de groote kerken; met en benevens alle soorten van overkleederen. Dan volgt december, met de boa's en de moffen, en de almanakken, morgenrood en avondschemering, in onderlingen wedstrijd, en de St. Nicolaas, als het altijd te slecht weer is om uit te gaan, met een onverwachten sneeuwbui die op één dag twintig nieuwe dameshoeden bederft, en de kleine nachtvorsten die doen rillen, niet van koude, maar van schrik. Het heilig kerstfeest, op het land zoo liefelijk, zoo eerbiedig gevierd, en zich zoo harmoniesch aansluitende aan de vredige stilte die het voorgaat en opvolgt, geeft in de stad het teeken voor drukte en gewoel en feestgejuich van allerlei aart; en na den ijslijken nieuwjaarsdag, waarop honderden verkouden worden, wordt een eerlijk huisvader overstroomd van concertprogramma's, die hem met een benepen hart de hoofden zijner op uitgaan beluste dochters tellen doen; en er is een onafgebroken spreken en handelen in de stad over damespartyen en comedies en soirées litéraires, en soirées musicales, en andere soirées die noch het een noch het ander zijn, maar uiterst stijf, en vervelend, en akelig; en men verzadigt zich zoo over end' over aan de wintervermaken, dat men er in vier weken genoeg van heeft. En onderwijl regeeren de koude en de armoede, het ijs in de grachten, en de bedelary op de sluizen. En nog twee volle maanden kijkt men mismoedig elken morgen op den thermometer, en telt men morrende het aantal "wintertjens" op. En eer men den neus buiten de poort steekt, moet er groen aan de boomen wezen; en eer men te vreden is van zijne kleine wandeling, moet het ten minste mei zijn. Dat is dus een winter van half october tot de meimaand toe. En dan heeft de steêman die buiten komt een gevoel, als of er een plotselinge, eene eensklapsche verandering van decoratie gekomen is; want hy heeft niets van al die opwekkelijke toebereidselen gezien die de natuur maakt, noch haar op den onderhoudenden weg harer stille vorderingen mogen gadeslaan. Hy heeft al de vreugde gemist, die de buitenman gesmaakt heeft, toen zijn eerste kip begon te leggen, en zijn eerste sneeuwklokjen bloeide op den naakten en harden grond. Hy heeft de ganzen niet zien vertrekken, en de spreeuwen en de kievieten niet zien aankomen, noch ook, drie dagen voor dat de wind zuiëlijkte, van zijn weêrwijzen tuinbaas of grijzen pachter gehoord dat de wind zuiëlijken zou.
Die een buiten heeft, en genoodzaakt of verstandig genoeg is er 's winters te blijven, staat des morgens met de zon op. Dat valt dan wat den tijd betreft nog al gemakkelijk, want ook de zon zelve is in dat jaargetijde niet zeer matineus. Maar laten wy elkander niets wijsmaken! Hierin staat steêman en buitenman gelijk, dat dit oogenblik het