217
moeielijkste is van den geheelen dag. Want het bed is warm, de kamer koud, en de mensch lui; daarenboven kan het water in de lampet bevroren zijn, en de neiging om "zich nog eens om te keeren" is ons geslacht als ingeboren. Maar heeft men eenmaal gezegevierd, dan heeft men buiten ten minste de zelfvoldoening de zon werkelijk te zien; terwijl gy, heeren en dames in de stad! alweder het reusachtig "MANUFACTUREN" by uw overbuurman lezen moogt, of het beknoptere maar niet minder tergende: "SCHRIJF- EN KANTOORBEHOEFTEN;" hoogstens, indien uw overbuurman een logementhouder is, hebt gy het voorrecht uwe nuchtere blikken op te slaan tot het vergulde beeld van het lieve hemellicht zelf, met stralen van een duim dik, en scheele oogen. Benijdbaar zoo gy op een gracht woont, en niets ziet dan het zwarte ijs, met hoopen asch en vuilnis, daar tot uwe verkwikking op geworpen in het oogenblik dat gy uwe legerstede verliet; benijdbaar zoo gy in een achterkamer huist, en over een smalle tuin tegen de donkere gestalte van hooge pakhuizen met gesloten blinden op moogt zien! Maar kom nu eens voor dit venster, dat op het oosten ziet, en zie over het weiland heen, grijs van vederachtigen rijp, de koperkleurige kimme met dien bloedrooden schijf, nog half bedekt en half opgerezen, die als wy kerstmis gehad hebben een rooden wedergloed op de sneeuw zal werpen, duizendmaal mooier dan de beste bengaalsche vlam over de zangerige helden van het vijfde bedrijf eener opera, of over de heuvelen van doek in een ballet; of kijk, door het andere raam, naar het westen uit, en zie de groene sparren met een dun en tintelend weefsel behangen, en de statige menigte van eerwaardige dorre beuken (een kaal hoofd is eerwaardig) daarachter, met de toppen in den nevel, die in zachte droppels langs de stammen leekt; die krijgen ook na kerstmis hun schitterend sneeuwkleed aan, willen wy hopen. Dat is alles mooi, zegt gy, mijn waarde lezer! maar men kan toch den geheelen dag niet naar de zon en naar de boomen kijken; wat voert de buitenman uit? hoe houdt hy zich bezig? waarmede vermaakt hy zich?
Het is december; zijn hout moet gehakt, en hy gaat rond met zijn opzichter, om te zeggen welke opgaande boomen aan de beurt liggen en welk hakhout het kapjaar heeft bereikt. Ook is de jacht nog niet gesloten, en hy laadt "groote zes" op zijn geweer in plaats van "kleine," want het haas heeft, zoowel als gy, zijn winterpels aan; en als hy tot den donker toe de weitasch over den rechter en den hagelzak over den linker schouder gedragen heeft, en het overgehaald geweer in de hand, en een paar hazen en een paar houtsnippen voor zijne vrienden in de stad bovendien, dan eet hy als een wolf, en wèl zoo goed als gy, mijnheer, al gloeide uw kantoorkachel ook nog zoo, en al hebt gy u ook nog zoo geanimeerd op de beurs. Des avonds is hy veel te moê om zich te vervelen; hy maakt zich gemakkelijk met kamerjapon en pan-