230
hetwelk zy eenmaal met een blijmoedig en kalm hart de wareld en hare begeerlijkheden moesten vaarwel zeggen, zouden in latere tijden de rampzalige groenen, in vertwijfeling aan alle aardsche grootheid, nederzitten; waar de eerbare rei der gesluierden, van hare stiftsmevrouw voorgegaan, den plechtigen choorzang aanhief, zou later eene zwartgetabberde rei de zitplaatsen bezetten en een gedegend doctorandus, ex auctoritate rectoris magnifici, tegen de gantsche wareld de stoute stelling volhouden, dat artikel honderd en zooveel van het wetboek volstrekt niet in strijd is met artikel honderd en zooveel, of wel dat men onbillijk is indien men alle kinderkwalen zonder onderscheid aan de gevaarlijke liefhebbery van tandenkrijgen toeschrijft, of anders dat een ooggetuige beter een historie schrijven kan dan iemand die by hooren zeggen leeft, en somtijds ook wel dat men hebreeuwsch moet kennen om de hebraïsmen in het nieuwe Testament te kunnen opsporen en beoordeelen. Lang zoude ik deze tegenoverstelling van het Eertijds en Thands nog kunnen volhouden, indien ik niet te vreezen had voor onnaauwkeurigheden, die Leidens vele oudheidkundigen my nimmer vergeven zouden. In het kort: alles wat men vroeger hier gezien en gehoord heeft is veranderd en vernieuwd, behalve het latijn, dat veeleer verouderd is, en, tot den echten toon van CICERO teruggebracht, zijne klassiekste vormen met wonderbare smijdigheid leenen blijft en zal blijven leenen tot in het laatste der dagen, aan iedere wetenschap der wareld, het zij de romeinen daar eenig begrip van hebben gehad ofte niet.
Als men het ijzeren hek dóór en het plein óver gaat dat naast het eerwaardig gebouw een uitgebreidheid van tien passen beslaat, treedt men, door eene hooge poort, welks posten met vele convocatiebriefjens beplakt zijn, een breeden gang binnen, waar men op het stille uur (het tweede na den middag) waarop deze geschiedenis aanvangt, niemand tegenkomt; stijgt men dan aan het einde een ruimen steenen wenteltrap op, en gaat men, boven gekomen, linksom en rechtuit, zoo komt men aan eene verhevenheid van twee trappen, en ook deze beklommen hebbende en de deur openende die men vlak voor zich ziet, zoo bevindt men zich in een klein vertrek, met witte muren en een houten vloer, waarin men een tafel, een paar stoelen, met en benevens een verroesten kachel en toebehooren gewaar wordt.
Dit weinig gezellig vertrek draagt den ondichterlijken naam van het zweetkamertjen, en zeker niet ten onrechte. Hier toch is een soort van vagevuur, waarin elk die de zaligheid van een examen ofpromotie wenscht te smaken, een poostijd verblijven moet alvorens hy tot het genot dier hemelvreugd wordt toegelaten. Belangrijke plek gronds! In dat kleine kamertjen, o mijne lezers! hebben alle de groote mannen die aan de leidsche academie zich ooit door stalen vlijt en onafgebroken arbeidzaamheid den doctorshoed verworven hebben, om naderhand de wareld met hunne doctrinae praestantia te verbazen en te verrukken; in