236
moet denken, hy heeft drie jaar gebruikt voor zijn eerste examen..."
"Zijn propaedeutisch, niet waar?" viel mevrouw WITSE met deftigheid in, trotsch dat zy het moeielijke woord zoo goed had leeren uitspreken.
"Juist, mijn kind! Dat is een ding, daar de meesten luchtig over heen loopen. Maar hy heeft er zijn werk byzonder van gemaakt. Hoor eens, hy kost ons daar ginder een handvol geld, maar de medicijnen, heb ik altijd hooren zeggen, is een dure studie; en hy moet niets verzuimen."
"Maar hoe lang zou hy er nu nog wezen moeten, nu hy candidaat is?"
"Wel, ik weet het niet. Hy wilde er graag de chirurgie en de obstetrie by leeren, en dat zal nog wel wat tijd kosten. Maar wie weet waar hy dan ook geschikt voor is!"
"Zoo, zou je dat denken?" vroeg mevrouw WITSE, het mes, waar zy zich een boteram meê maakte, halfweg in het brood latende steken, en haar man strak aanziende.
"Alles is mogelijk, liefste! " andwoordde haar echtvriend, den brief nog eens inziende. En een blijde glimlach vertoonde zich op zijne wezenstrekken.
"Maar staan daar niet zekere jaren voor?" vroeg mevrouw weder, terwijl zy hare oogen zedig nedersloeg, en met eene byzondere oplettendheid haar boteram in reepjens sneed.
"Wat meenje?" vroeg de heer WITSE, die hetzelfde meende als zijne egade.
"Wel! " andwoordde de goede vrouw, de punt van haar mes met groote naauwkeurigheid beschouwende, om zoo 't een of ander te worden."
"Wat een of ander, moedertjen?" vroeg de echtgenoot lachende, en van verlangen brandende het groote woord dat hyzelf niet uit dorst spreken, van de lippen van zijne wederhelft te hooren.
"Wel," andwoordde mevrouw WITSE; hoe oud was de jonge hoe-hiet-ie-ook-weer zoo wat, toen hy professor wierd?"
"Tut, tut, tut!" andwoordde de heer WITSE, terwijl zijne oogen van genoegen schitterden, en zijn aangezicht zich zenuwachtig bewoog; "je moet zoo hoog niet vliegen, moedertjen. Als hy maar een knap doctor wordt, dat is heel wel."
"Dat is ook zoo," hernam zijne vrouw, wie het speet dat zy zich zoo onvoorzichtig had uitgelaten. "Het hoeft ook niet; ik zal heel te vreden zijn als hy maar gelukkig is in de praktijk. Wy mogen ook niet alles vergen."
"Wel neen!" zei de heer WITSE.
"En daarenboven" — ging mevrouw voort — "wie weet of het goed voor hem zijn zou. Een professor moet immers zoo allerverschrikkelijkst studeeren!"
"Dat moet hy zeker, vrouwlief!" was het andwoord; maar dat was voor onzen GERRIT het minste."