Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/254

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

246


"KLAARTJEN," zei oom, die wel van plagen hield, "je moet oppassen, dat hy niet met je hartjen strijken gaat, hoor!"

"Dat heeft geen nood, oom."

"Nu ik ben benieuwd wat daar nog van komen zal, "zei tante; "bewaar het goed, kind!" En zy hoopte dat deze vermaning voor het jonge meisjen zoo veel zeggen zou als: "werp het den jongeling hals over kop voor de voeten."

In dat geval stond de kans zeer slecht, want KLAARTJENS tegenzin had zich hoe langer hoe vaster geworteld.

"Zoo'n wijs heer zal op my niet letten!" zei KLAARTJEN overluid, en ik ben ook tegen zoo veel geleerdheid niet opgewassen. "In stilte dacht zy: al was hy zoo wijs als SALOMO, hy zal er by my niet aan hebben; ik zal den verwaanden gek mijn rug toedraaien."

Zoo onschadelijk was de koppelliefhebbery van tante VERNOOY.

 

Vrienden hartelijkheid.


De dag van het groote feestmaal ter eere van GERRIT WITSE, med. cand., die, als den lezer uit onze schets gebleken is, ten opzichte zijner verdiensten zoo geheel anders dan zijne ouders was gestemd, was aangebroken.

Het was omstreeks drie ure na den middag dat de jongeling bezig was zijn toilet te maken. Was het dat hy tegen de pleizierigheid van dezen dag als tegen een berg opzag, te welker gelegenheid zijne ouders waarschijnlijk tot walgens toe met hem zouden wenschen te pronken? Was het dat hy zich het geeuwende schrikbeeld der verveling voorstelde, waarmede hy zou hebben te worstelen in een kring van menschen waarvan de meesten hem onverschillig lieten en de overigen hem ergerden? Was het een dezer gewaarwordingen afzonderlijk, of was het wellicht een aangenaam mengsel van beiden, dat hem in het werk des kleedens zoo langzaam deed voortgaan, en hem nu en dan een aanmerkelijke poos deed verwijlen met een kleedingstuk in de hand, of doelloos uit het raam staren, of, zonder vermoeid te zijn, op een stoel nedervallen, met al de verschijnselen van het levensverdriet?

Eene sierlijke inleiding, opzettelijk geschreven om u van de ware oorzaak af te leiden. Deze was geene andere dan dat zijne gedachten met een voorwerp vervuld waren verre verheven boven het geurig stuk zeep, of het schoone overhemd, of den satijnen das, die hy beurtelings in de hand nam. Hy had dien morgen het Leesmuseum bezocht. Wanneer hy zich voor een dag of wat in zijn vaderstad bevond, was het Leesmuseum, waarvan de oude heer WITSE lid was, steeds zijne toevlucht. Daar stelde hy zich altijd weer voor dat hy zijn tijd op een aangename wijze zou