247
kunnen doorbrengen, ofschoon de uitkomst hem meestal teleurstelde. Met gespannen verwachting trad hy er op de leestafel toe, maar bemerkte meestal tot zijn smart dat die tafel behalven de Lloydslist, en de OostIndische Courant, en het Heerenboekjen, niets anders behelsde dan hetgeen hy te Leiden gewoonlijk dan reeds gelezen had; het zelfde nommer van de Letteroefeningen, met het zelfde aantal steken op "de jonge dichters" (ik meen "dichtschool"), en de zelfde zeer huislijke beeldspraak van "ongare kost, keurige schotels, goed gekruid, sterk aangezet," en wat dies meer zij; denzelfden Gids, met dezelfde beweerden omtrent het ongepaste dat Holland graven en ridders gehad heeft, omtrent den bloeitijd van JAN (een alias, dien hy ons voor de hollandsche natie opdringt), en het leelijke van de rhethoriek; met en benevens dezelfde citaten uit het vorige nommer; hetzelfde Leeskabinet, met denzelfden groenen omslag; en dezelfde Boekzaal der geleerde Wereld, met een versjen op de begrafenis van Ds. die en die, en het Vijftigjarig bestaan van Ds. zoo en zoo. Dan keerde hy zich tot de nieuwuitgekomen boeken. Ook daarvan had hy er reeds, dank zij der gedienstige zorgen van één VAN DER HOEK en een half dozijn HAZENBERGEN, vele gezien; en de anderen scheuen hem te zwaarlijvig toe, om ze in zoo weinig dagen te verteeren. Meestal kwam het daarop neder, dat hy dan toch maar de voorrede van een paar fransche nieuwtjens ging zitten lezen, waarin de schrijver beweerde dat hy met zijne conscientie was te rade gegaan, om een zeer zedeloos, met zijne aesthetica, om een zeer smakeloos boek te schrijven. En zoo was hy dezen morgen verdiept geweest in de lezing van de voorrede van Ruy Blas van VICTOR HUGO.
Deze voorrede, hoe sluitend en klevend, bondig, krachtig, en bɔeiend de redeneering ook zijn moge, was niet zóó, of zy liet hem wel éénige oogenblikken los, om zijne oogen te laten weiden, nu eens over de Beursbrug, dan eens over de Blaak, die door een aardig zonnetjen beschenen, er nog al heel vrolijk en pleizierig uitzag. En op eenmaal (ik zal het maar kort maken), daar ziet hy duidelijk de schoone, die hy in "het paradijs van Nederland," als de blinde MOENS zegt, met de witte duif op het hoofd had gezien; de schoone die hy slechts eenmaal had aangeblikt, en die hy volstrekt niet kende, 't geen een reden te meer was geweest om gestadig over haar te denken, ja, te mijmeren, ach! te dweepen.
Ik zal niet zoo vermetel zijn van te beweren dat het boek hem uit de handen viel, want daar behoort nog ongelijk meer toe; neen! maar hy wierp het neder; hy wierp het neder, hy nam zijn hoed, hy trok zijn handschoenen aan, vloog de trappen van het Leesmuseum af, stormde de deur uit. De schoone was de Blaak opgegaan en had zich dus rechts gekeerd. Zal hy haar nawandelen? Neen, hy kent al het onaangename van de luifels der hoeden. Links slaat hy den hoek om, ijlt de Vischsteeg door, draaft langs de Wijnstraat, galoppeert door de Koningsteeg,