Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/256

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

248

en komt bedaard en met een gezicht als of er niets gebeurd was de Blaak weder opwandelen. Zy is het waarlijk! Ja, dat vrolijke gezicht, die vriendelijke mond, die speelsche uitdrukking van oogen! Hy groet haar. Hemel en aarde! zy heeft hem terug gegroet. Een paar huizen verder staat hy stil, en tuurt haar lieve houding na, en bewondert met een verliefd oog haar vluggen gang. Zy steekt de Houtbrug over; hy staart haar na tot dat zy in de Keizerstraat verdwijnt. Nu stuift hy weder voort en naar het museum terug, de trappen op; daar ligt Ruy Blas nog; werktuigelijk neemt hy zijne vorige houding aan en het boek op. Dat was verbijstering. Hy had haar moeten nagaan; moeten weten waar zy bleef. Hy keert op zijne schreden terug, de Houtbrug over, de Keizerstraat door. Hy ziet haar niet meer; haar spoor is uitgewischt. Verliefder dan ooit en op zichzelven ontevreden, loopt hy de geheele stad door en tuurt in alle ellewinkels, of hy het groenzijden wintergewaad ook weer te ontdekken krijgt, dat hem zoo hevig heeft aangedaan, of den hoed van bruin satijn, met een enkelen struisveder, die de plaats bekleedt waar hy weleer de witte duif heeft zien nederzitten, die hy zoo zeer heeft benijd. Te vergeefs! neigens, nergens, voor geen venster is zy te zien, de schoone... ja! hoe heet zy? Hy weet er niets van, en lacht over zijne dwaasheid. Zoo keert hy huiswaarts.

In deze stemming vinden wy hem op zijne kamer. Maar neen! Er is een straal van hoop in zijne ziele opgegaan. De berekeningen van een mensch in WITSES toestand zijn stout. Er was by den heer en mevrouw VERNOOY een jong meisjen gelogeerd, een nichtjen, welker naam hy niet kende; de naam der schoone geldersche kende by evenmin; dit was een punt van overeenkomst. Zy kon het zelve wezen, en indien zy het ware, het was hem meer waard dan de eerste graad op alle mogelijke examina.

Onder zulke gedachten geraakte hy eindelijk gereed, nadat hy reeds eenmaal zijn das uitvoerig had omgestrikt vóór hy zijn overhemd nog aanhad, en later zijn rok had aangetrokken, voor hy nog eerst het noodige laagjen gelegd had met een satijnen vest. Hy kwam beneden. Er waren reeds gasten aanwezig. Hy hoorde hunne stemmen in de zijkamer. Met een kloppend hart opende hy de deur.

"Daar hebben we onzen candidaat!" riepen papa en mama te gelijk. De candidaat boog zich voor mijnheer en mevrouw VAN HOEL.

Mijnheer en mevrouw VAN HOEL waren menschen van omstreeks vijftig jaren, waarvan zy erijfentwintig in den huwelijken staat hadden doorgebracht. Zy behoorden tot den deftigen koopmansstand, en ZEd. was wat men een man van gewicht noemt. Hy keek op de societeit zeer ernstig en als zeer veel macht hebbende rond, en was er op straat zeer op gesteld dat men hem groette, eene eer die hem, het fortuin dat hy gemaakt had in aanmerking genomen, ook ten volle van de geheele wa-