Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/258

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

250

jongen bekend, maar men kon het toch nooit weten! En te Leiden!... och, de jongelui werden er zoo spoedig bedorven."

De candidaat boog zich voor mijnheer en mevrouw VAN HOEL. Na de gewone begroeting, waar nu ook nog een compliment met het volbrachte examen by kwam, waarby de heer VAN HOEL den hartelijken wensch voegde, dat dit een stap nader mocht zijn tot eene spoedige promotie en eene brillante praktijk; en waarby mevrouw de vriendelijkheid had het deelnemend beklag te voegen, dat de meeste menschen "een ouden doctor verkiezen," zeide de heer VAN HOEL, die met de armen op den rug de panden van zijn rok splijtende voor het vuur stond en den binnenkant zijner handen door de vlammen liet koesteren: "Ik heb, geloof ik, mijnheer WITSE van morgen ontmoet?"

"My, mijnheer? " vroeg GERRIT verbaasd; "ik weet niet dat ik de eer gehad heb...."

"Neen, dat merkte ik," hernam de heer VAN HOEL met een schamper lachjen, en schuins uit naar GERRITS moeder ziende: "'t was op de Blaak; maar ik merkte wel dat je my niet scheent te zien."

"Indedaad, ik heb u niet gezien," andwoordde GERRIT kleurende.

"Och, die jonge geleerden," merkte mevrouw VAN HOEL aan, hare handen vouwende en hare nieuwe capretten handschoenen tusschen de vingers aandrukkende; "och, die jonge geleerden zweven zoo in een hooger sfeer, dat ze niemand meer zien."

"Dat kan wel eens een enkele keer gebeuren, niet waar GERRIT?" viel zijn mama daarop in, die een hoogere sfeer voor haar zoon nog al een geschikt departement vond.

"Liever niet," zei GERRIT; "het komt op de Blaak zoo weinig te pas."

"Ja!" andwoordde de heer VAN HOEL, de schouders met gemaakten ernst ophalende; "het is hier maar een koopstad; daar moeten we ons nu maar meê behelpen."

"Zoo meen ik het toch niet," hernam GERRIT al weder, nu eerst bemerkende dat de heer VAN HOEL aan 't gifzuigen was.

De deur ging open. GERRIT zag verlangend om. Er trad geen schoon meisjen binnen, maar een jongeling, die naar GERRITS smaak alleen een schoonheid had kunnen genoemd worden indien hy een meisjen geweest ware. Hy was een van die "mooie mannen," waarvan de jongelingen misschien veel meer jaloersch zijn dan de jonge dochters verliefd. Zacht, zwart, krullend hair, een spierwit voorhoofd, een allertengerst teint, blinkende oogen, en coquette bakkebaarden waren zijn deel. Kracht of majesteit was er in ' s mans gelaat niet, zelfs geen hartstocht; en evenmin in zijne houding, die tot de zwak apollinische behoorde. Het was de heer HATELING, een jong mensch van goeden huize, die op kamers woonde, en aan een der voornaamste kantoren van Rotterdam den handel bestudeerde. Deze jongman was iemand die volmaakt berekend was voor zijne plaats achter een lessenaar, en voor zijne plaats