Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/259

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

251

op een diner; dat is: hy kon goed cijferen, en goed praten. Overmaat van verstand of smaak bezat hy niet, maar hy "las toch nooit hollandsch," eene omstandigheid die altijd een hoogen dunk van beiden geeft. Hy was een spotter met al wat studie heette, of, zoo als hy het noemde, "zoo hoog vloog". Overigens, daar zijne positie als eenloopend gezel medebracht dat hy gaarne uit eten ging, had hy den goeden weg ingeslagen om veel uit eten te worden gevraagd; en daar hy veel uit eten gevraagd werd, was hy ook een geroutineerd dinerganger, en wist hy uitmuntend goed wat hy doen moest om by zulke gelegenheid te behagen.

Terwijl deze Narcissus nog bezig was zijn compliment te maken, kwam er, met veel schutterigheid en eene zeer verhitte kleur, eene dame binnentreden van een jaar of zesentwintig, die een zwarten japon droeg om te toonen dat zy bedroefd was, en een zeer blooten hals om te toonen dat zy alle behaagzucht niet had afgelegd. Zy was noch mooi, noch leelijk, zeer blond, en zeer druk. 't Was mevrouw STORK, de jonge weduwe van een man dien zy aan de teering verloren had. De heer en mevrouw WITSE waren eerst onlangs met haar in kennis geraakt; zy maakte derhalve allerhartelijkst, allerbevalligst, en allerinnemendst haar compliment voor mijnheer en de "lieve mevrouw." Daarop werd zy aan de VAN HOELS voorgesteld, waarop zy dadelijk met een allerliefst lachjen en mooien mond met tanden vroeg of zy van de familie van mevrouw VAN HOEL te Utrecht waren, die zy het plaisir had te kennen, en dat een aller-allerliefste vrouw was. Toen wendde zy zich weder tot de heeren WITSE, en plaagde den ouderen, en zei allerlei galanteriën aan den jongeren, met al de vrijmoedigheid eener getrouwde dame, en met al de behaagzucht eener ongetrouwde. Nog had deze naauwelijks al de aanwezigen gegroet, of wederom ging de deur open. Mevrouw VERNOOY trad binnen, gevolgd van KLAARTJEN DONZE.

Eene siddering ging over GERRITS hart; eerst werd hy bleek, en toen hoog rood; want zy was het; de schoone geldersche, de jonkvrouw van zijne gedachten!

Met een goelijken knik aan den ingang van de deur en een nog goelijker lach drukte de heer VERNOOY, die nu ook volgde, GERRITS hand.

"Hartelijk, hartelijk, man!" riep hy uit. "Je bent nu candidaat; heet het zoo niet?"

"En zeker met al de graden?" vroeg mevrouw VERNOOY, minzaam glimlachende.

"Ja," zei mevrouw WITSE, het hoofd vrolijk opheffende; "daarvoor was geen zorg; maar hy wilde 't niet schrijven. Nu, 't is nog al een knappe jongen, vindje niet. We beleven plaisir aan ons GERRITJEN."

"GERRITJEN," die door deze aanspraak al weer een tamelijk kinderachtig figuur maakte, rees niet in de achting van KLARA, wie hy echter, wat voorkomen en uiterlijk betrof, niet was tegengevallen, ja, zoo zeer