Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/260

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

252

meêviel, dat zy er inwendig boos om werd. Neen! dacht zy; geen voet achteruit! Dat hy er redelijk uitziet bewijst niets tegen zijne pedanterie. Pedant moet hy wezen.

GERRIT had haar zeer beleefd gegroet, en de dames hadden het zeer druk met de vreemde. Zijne moeder scheen terstond zeer nieuwsgierig te zijn om te weten hoe het haar in Rotterdam beviel, en hoe hare familie in Gelderland voer, ofschoon er tot nog toe geen sterveling was die wist of zy een vader en moeder, en broeders en zusters had al dan niet. KLAARTJEN andwoordde op alles met een onbedeesd en vrolijk gezicht.

GERRIT kon zijne oogen niet van haar afhouden. Hoe schoon was zy van naby gezien. Hoe weelderig waren hare vormen; hoe doorschijnend haar blanke hals: hoe zuiver de omtrekken van haar gelaat, en de lijnen van hare gestalte. Hoe liefelijk en helder klonk hare stem, hoe vriendelijk was hare spraak, hoe levendig waren hare bewegingen, hoe bevallig was de schoone KLARA, in alles.

Juist maakte hy zich gereed haar, zoo ras zijn hartklopping eenigzins bedaard zou zijn, eens nader toe te spreken, toen de laatste der gasten verscheen, en de opmerkzaamheid der geheele vergadering tot zich trok.

Het was een man, wiens ouderdom tusschen de vijftig en zestig in zweefde, wat hy evenwel gedeeltelijk ontveinsde door een valsche toupet boven een paar zeer blozende wangen rond te dragen. Het overige van zijn fysionomie bestond geheel uit een wijden witten das met wuivende slippen, en groote, slappe hemdsboorden. Hy droeg een ruimen zwarten rok, een blaauwlakenschen pantalon, een zeer ouderwetsch fluweel vest, met nederdalende strepen. Het was de heer WAGESTERT, by zijne vrienden voor een origineel bekend. Deze man had het, door kracht van originaliteit, tot de in deze huichelende en huichelary onderstellende, aanmoedigende en uitlokkende wareld zeer benijdbare hoogte gebracht, dat men hem het recht toekende alles te mogen zeggen wat hem voor den mond kwam, een recht waarvan hy dan ook rijkelijk gebruik maakte. Daarby had hy iets zeer eigenaardigs in de wijze van zich uit te drukken; ja zijn vocabulaire verschilde geheel van dat van andere menschen, en hy plag te zeggen, dat het jammer was dat men, by nieuwe uitvindingen, hem niet raadpleegde hoe de dingen heeten moesten. Zoo noemde hy, om een voorbeeld te geven, het schoone geslacht geregeld met den naam van appelbijtsters, daarby op hare grootmoeder EVA zinspelende, en gaf hy de artsen nooit een anderen eeretitel dan die in het woord tongkijkers lag opgesloten. Medicijnen en vrouwen waren zijne grootste antipathiën, en hy was gewoon te beweren dat hy zonder de laatsten wel leven, en zonder de eersten wel sterven kon. Deze merkwaardige man leefde op kamers op de Nieuwe Haven, van een onafhankelijk inkomen, en daar hy niets om handen had, had hy niet zoo zeer de luiheid als wel de geestigheid dagelijks tot elf, twaalf ure op zijn bed te liggen, en in deze gemakkelijke houding te lezen, te schrijven, en alles uit te voeren wat hem in