253
den geest kwam. Hy was gewoon in persoon verschen zalm te koopen, en ze in een netjen thuis te brengen. Hy had de leelijkste teef uit heel Rotterdam, en onderhield twee grijze katten, die door dezelve teef gezoogd waren. Op de societeit dronk hy nooit iets anders dan fachingerwater, en aan tafel nooit iets anders dan portwijn. Hy had een stok, waarvan de knop, in de schaduw gezien, het portret van LODEWIJK den XVI, vertoonde, en een horloge, onder welks glas een vlieg geteekend was, waarvan men zweeren zou dat hy over de plaat liep; een universeel zakmes, met honderd geriefelijkheden, was zijn getrouwe metgezel, en hy wist het soms zeer geestig te pas te brengen. In 't kort, niets was duidelijker of meer bekend, dan dat de heer WAGESTERT een origineel was, en hy deed dan ook zelden den mond open, zonder de voldoening te smaken, van den een of ander uit het gezelschap waarin hy zich bevond te hooren mompelen: "Die WAGESTERT heeft," of, zoo als de rotterdammers van alle klassen zeggen: "heit toch altijd wat raars."
De binnenkomst van dit humoristiesch genie, en de plichtplegingen die hy jegens de gastvrouw en de gasten in 't werk stelde, waren een soort van koddige parodie op de wijze waarop dit gewoonlijk geschiedt; en schoon de heer WAGESTERT deze aardigheid by alle gelegenheden herhaalde, zoo vond zy echter ook ditmaal genade in de oogen zijner bewonderaars.
Men was nog bezig er om te glimlachen, toen de knecht binnenkwam met de tijding, dat de soep op tafel was. De heeren boden de dames hunne armen aan, met dat traag empressement, waarmee men altijd te werk gaat indien men niet recht weet aan wien het toekomt om de eerste te wezen, en de heer WAGESTERT, die, alhoewel alle appelbijtsters verachtende, echter zeer goed wist welke appelbijtsters er het liefst uitzagen, bood zijn geleide, op eene al weder kluchtige wijze, aan KLAARTJEN aan. KLAARTJEN had nimmer een origineel gezien.
Men ging aan tafel, en het eerste dat GERRIT bemerkte, was dat de plaatsing hem allerminst beviel.
Dan, hier is het de plaats een meêwarig woord van beklag voor u te uiten, edelaardige menschenvrienden! die goed genoeg zijt nu en dan aan uwe vrienden diners te geven. Het is nog niet genoeg, dat gy by alle poeliers rondzendt om een soort van gevogelte of een soort van wild dat nergens te krijgen is; niet genoeg, dat gy u afslooft om de fijne schotels van het laatste diner dat gy bywoondet op zijde te streven, en zoo mogelijk te overtreffen; niet genoeg, dat gy met eigen mevrouwelijke hand het blanc-manger bereidt, of u de harde noodzakelijkheid oplegt, op een ongelegen uur uw rumgelei te proeven. Gy moet ook nog eene party, op dat punt allerlastigste, allerkitteloorigste, en alleronverdraagzaamste wezens, gy moet uwe gasten schikken! en wel zoo, dat zy allen naar hun zin en naar hun smaak gezeten zijn; en wel zoo, dat alle