Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/264

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

256

naast mevrouw STORK te plaatsen, die een savante was, dat's te zeggen, geen eigenlijke savante, want zy was heel lief, maar een stille savante, die alle talen kende, veel gezien had, en onbegrijpelijk intéressant was." Dan schertste zy weder eens met WAGESTERT over de slechtheid van de mannen, en riep mevrouw VAN HOEL tot getuige, die ze ook al heel slecht vond." En intusschen vertelde mevrouw VERNOOY zoo veel liefs en goeds van KLAARTJEN DONZE, als zy ooit liefs en goeds van GERRIT uit papa WITSES mond gehoord had; en de laatste was niet ongevoelig voor haar lief gezichtjen. De heer VAN HOEL zat met een sceptisch en ironisch gezicht mevrouw STORK gade te slaan, in zijn koopmanstrots zeer laag neêrziende op al dat onzinnig gesnap, en sprak tusschenbeiden een wijs woord met WITSE en VERNOOY, by welke gelegenheid hy machtig veel zoo aan het staats- als aan het stadsbestuur te berispen vond, en de wareld beklaagde, dat zy geene oogen had om er die knappe menschen in te kiezen, die zich gaarne de moeite zouden getroosten, alles op pooten te stellen."

Het dessert kwam, en mevrouw WITSE liet met zekeren nadruk de flesschen veranderen.

De heer VERNOOY, in de goelijkheid van zijn hart, begreep dadelijk dat er een toast op den jongen candidaat wezen moest, maar hy was de man niet om toasten in te stellen. Wel is waar hy was hier waarschijnlijk de oudste, maar hem dacht de eer kwam den hoogaanzienlijken VAN HOEL toe, die 't er, dacht hy verder, ook veel beter af zou brengen dan hy. Nu was het zeer zeker dat de hoogaanzienlijke heer VAN HOEL van dezelfde opinie was, maar hy gevoelde geen zier lust of roeping tot de zaak; en schoon de gedachte aan den noodzakelijken toast ook in WAGESTERTS hoofd opkwam, hy smoorde ze met de bewustheid dat hy "nooit toasten instelde en het weergasche gekheid vond," waarby ook nog kwam dat hy de kunst niet verstond. Het was in dezen als met zijne geheele zonderlingheid, die in vele opzichten niet anders was dan het pis-aller zijner mislukte pogingen om met eenige gratie en goeden uitslag te handelen als andere menschen. Blooheid en onhandigheid hadden in een schoon, eendrachtig en zusterlijk verbond hem tot een vertreder aller vormen en bespotter van alle beleefdheden gemaakt. Een geschrikt paard slaat aan 't hollen, breekt den toom, en trapt den wagen stuk.

Het dessert werd gediend, en niemand sprak den toast uit. VERNOOY werd hoe langer hoe benaauwder. Hy vond het onbeleefd en onbehoorlijk om het te laten, maar als hy er aan dacht om het te doen, brak het koude zweet hem uit. Twee of driemalen sloeg hy de hand aan zijn glas om het plechtig op te nemen, maar telkens liet hy het weder staan; ja, tweemaal hief hy het werkelijk op in de hand, maar bedacht zich, en verborg zijn voornemen onder het voorwendsel van mevrouw VAN HOEL een onbeduidende aanmerking te maken omtrent de kleur van den wijn; en het aangename van een puntig glas. Ondertusschen werden de omstan-