257
digheden al nijpender en nijpender. Mama WITSE begon met eene hooge kleur hare oogen ongerust te laten rondgaan, en maakte telkens kleine pauzen in haar gesprek. Verscheidene glazen waren reeds ledig, en alle flesschen gedelibeerd. Het moest eindelijk. VERNOOY vermande zich, en met een bleek gezicht, een doomig voorhoofd, en trillende lippen, zeide hy: "Vrienden, wy moesten eens een vol glaasjen inschenken." Hoewel nu het gesprek in de laatste cogenblikken groote gapingen had gehad, waarin men de dessertmessen duidelijk hun werk had hooren verrichten, zoo was het oogenblik, waarop de goede VERNOOY deze inleiding maakte, allerongelukkigst gekozen, want WAGESTERT had juist een appel uit het dessertmandtjen genomen, en begon er de "appelbijtsters" als van ouds mede te plagen. De goede man ontveinsde daarop zichzelven gesproken te hebben, en wijdde veel aandacht aan de figuren van het tafellaken. Een oogenblik daarna vermande hy zich weer. "Vrienden!" zeide hy.
"Ik geloof dat mijnheer VERNOOY iets zeggen wilde," zei mevrouw WITSE, zich over de tafel heenbuigende tot dat zy hem in 't gezicht kreeg; "niet waar, VERNOOY?"
"Ja, KEETJEN," zei de hartelijke man, "ik wilde een glaasjen brengen aan GERRIT, om hem nogmaals te feliciteeren met zijne bevordering tot candidaat. Ik heb geen kinderen, maar ik verheug my zeer in 't geluk van mijne vrienden die ze wel hebben, en er genoegen aan beleven. Met GERRIT meen ik het goed, en ik durf zeggen, dat we dit allemaal doen. Dus GERRIT! van harte, man."
"GERRIT! — GERRIT! — GERRIT! — mijnheer WITSE!" klonk het met allerhande intonatie over de tafel; de glazen werden neushoogte opgelicht, en daarna gedronken.
"Mijnheer WITSE!" zei ook KLAARTJEN, maar 't was als of er iets spottigs in haar gezicht was; en haar compliment werd ook maar in 't voorbygaan uitgebracht, want HATELING had beweerd, dat hy aan de amandelen van buiten zien kon of het filippines waren of niet, en ten bewijze bood hy haar op zijn lepel een dubbelen aan. Zy nam een der tweelingen, en het verbond werd aangegaan tegen de eerste maal dat zy elkander weer zouden ontmoeten, maar niet onder den blooten hemel."
"Welke toast met algemeene opgewondenheid gedronken werd!" zei WAGESTERT koddig, deftig: niet waar, moeder WITSE? Leve de volharding! GERRIT studeert voor professor, doet hy niet?"
"Foei, mijnheer!" zei mevrouw WITSE.
KLAARTJEN en HATELING glimlachten.
Het pijnlijk oogenblik was voor GERRIT spoedig voorby, en hy genoot een soort van vrede, toen mevrouw STORK op den inval kwam dat hy "zeker wel heel mooi reciteeren kon, en of hy het niet eens doen wilde; 't was nu zoo'n goede gelegenheid."
Dit is meer beweerd. Als het geheele gezelschap verzadigd is van al-