258
lerlei spijzen en wijnen, de sinaasappelen rondgaan, en de amandelen gekraakt worden; als degeen die reciteeren zal een hoofd heeft als twee anderen van benaauwdheid en warmte, natuurlijke gevolgen van epulae lautae in een groot gezelschap, en de toehoorders, gemerkt het gebruik van de gaven des wijnstoks en der vijf warelddeelen, zeer vatbaar zijn om op den stroom van het rythmus de haven van Morfeus in te drijven, dan heet men dat "een goede gelegenheid om eens te reciteeren." Ik weet niet hoe GERRIT hierover dacht, maar dit wist hy, dat het te geener ure zijn vak was, en hy verontschuldigde zich alzoo. Maar mevrouw STORK sloeg hare blikken diagonaal over de tafel, om mevrouw WITSE te hulp te roepen.
"Is dát waar, mevrouw?" vroeg zy op den toon van het hardnekkigst ongeloof, "dat uw zoon nooit reciteert?"
Mevrouw WITSE verklaarde dat zy integendeel vond, dat hy het heel lief deed.
"Eigen verzen?" vroeg KLAARTJEN.
En de belegering werd voortgezet met verdubbelden moed, en al die het meenden of niet meenden vormden een koor, waarvan de inhoud was dat GERRIT zou reciteeren. Deze bleef echter onverbiddelijk.
Mevrouw VAN HOEL was daarop de eerste om hem dit kwalijk te nemen, en merkte met een lief lachjen aan: "dat dit zeker te min was voor een geleerde als GERRIT." Zijne moeder vroeg hem: "of zy de versjens niet eens halen mocht, die hy op zijn twaalfde jaar op haar verjaardag gemaakt had." KLAARTJEN lachte. GERRIT volhardde.
"Het mooiste vers" zei WAGESTERT, om er een wending aan te geven, daar de zaak ernstig werd, dat ik ooit in mijn leven gehoord heb, is een vers van vier regels op BERONICIUS, die een groot dichter, en, met permissie, een groote-lap was."
"Och! en hoe was dat, mijnheer WAGESTERT?" vroeg mevrouw STORK, "hoe was dat?"
"Mevrouw!" hernam WAGESTERT zeer plechtig, "het was een grafschrift, een grafschrift op den grooten BERONICIUS, die in een moddersloot een plotselingen dood gevonden had. Het luidt aldus:
Hy leefde en stierf gelijk een beest;
Het was een misselijke sater:
Hy leefde in wijn en stierf in water."
Hoe geestig ook voorgedragen, dit meesterstuk van BUIZERO had niet dat uitwerksel van vrolijkheid, hetwelk de heer WAGESTERT daarvan gaarne gezien had. Er moest dus nog een punt aan gemaakt worden, en GERRIT was er het slachtoffer van.
"En weetje nu wel, mijnheer de candidaat in de beide medicijnen! wat het mooie van dit vers is?"