259
"Volstrekt niet!" zei GERRIT met veel nadruk.
"Weetje dan niet welk een groote lofspraak het voor den overledene inhoudt?"
"Neen!" zei GERRIT, byna overbluft door den zonderlingen man, voor wien hy wel wist dat men somtijds niet genoeg op zijn hoede wezen kon. Het geheele gezelschap verbeidde met gespannen verwachting.
"Niet!" zei WAGESTERT eindelijk, nadat hy GERRIT lang en strak had aangezien. "Niet! Dan zal ik het je uitleggen. Hierom, mijnheer de candidaat, omdat het bewijst, mijnheer de candidaat, dat de groote dichter BERONICIUS by leven noch sterven medicijnen gebruikt heeft."
Daarop nam hy zeer lakoniek een handvol ulevelletjens, stak ze in zijn zak, en fluisterde mama WITSE in: " Voor me kindertjens!"
Het geheele gezelschap lachte, vooral mevrouw VAN HOEL, en het: "die WAGESTERT! enz. " was in volle kracht. GERRIT had een driegulden willen geven voor eene repartie, maar hy vond er geen, voor en aleer hy dien avond op zijn bed lag; zoo als dat in dergelijke gevallen den snedigste overkomen kan; en mevrouw STORK leidde hem af, door hem te raadplegen over de hieroglyphen van verscheiden ulevelpapiertjens, met kalveren die vos, en heggen, die est beteekenen, en in welker ontcijfering de mooie HATELING oneindig veel knapper was dan hy.
Het laatste "tafellestjen" (het woord is van HOOFT), de gember, ging rond. Gember is eigenlijk een hatelijk eten; een ernstige wenk om heen te gaan. De dames stonden op, en de heeren volgden spoedig. In de andere kamer maakten de eersten een ijsselijk dispuut, daar zy allen mevrouw WITSE wilden helpen in het schenken der koffy; het werd echter bygelegd, en de schoone HATELING distribueerde de kopjens. Nu begaven zich de heeren, met het kopjen in de eene en het schoteltjen in de andere hand, in een zeer druk gesprek. Zy hadden den geheelen dag nog zoo wijs niet gekeken.
"Nu of nooit; dachten onze couranten, vlugschriften, verzen, en al dat moois in den jare 1831. Het werd echter toen niet gedaan, en het is acht jaar later zoo taliter qualiter te recht gekomen. "Nu of nooit," dacht ook GERRIT in den jare 1838, op dien gedenkwaardigen na-den-eten, daar KLAARTJEN by den schoorsteen stond, en een geborduurd haardscherm bekeek. Hy naderde haar met zoo veel vrijmoedigheid als hy verzamelen kon. Uw Buiten, juffrouw DONZE, ligt, meen ik, aan den straatweg tusschen...."
Daar keerde WAGESTERT, die aardigheden aan HATELING stond te verkoopen, zich kort om, stiet GERRIT aan den elleboog, en de kop koffy, dien hy in de hand had, vloog over het kleedtjen van grijs gros-de-naples, dat KLARA'S lieve leden omgaf.
GERRITS verwarring was verschrikkelijk. De dames vlogen toe, be-