Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/269

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

261

rassing te bereiden van aan het einde van een spel een kaart op te spelen van eene kleur waarin zy vroeger gerenonceerd had; en dat alles onder het mededeelen van gewichtige anecdotes omtrent voles die zy gemaakt, en lichte sans prendre's die zy gewonnen had, en het uiten van smaadredenen op alle andere spelen, die, by omberen vergeleken, zoo simpel waren. VAN HOELS beleefdheid was in een gestadigen strijd met zijn achting voor het plechtig omberspel. Hy was zeer ernstig en stroef, en als hy zich niet weerhouden konde eene aanmerking te maken, dan richtte hy zich tot GERRIT als wrijfpaal. "Mijnheer WITSE, je moet nooit troefuitspelen, of je moet er in dóórgaan;" "mijnheer WITSE, je moet altijd.... Maar wy kunnen geene lessen uitdeelen, lezer! en gy zijt even onschuldig als GERRIT.

Aan het bostontafeltjen met mevrouw VAN HOEL heerschte een ander gebrek. Mijnheer en mevrouw WITSE, schoon altijd in de beste harmonie levende, konden namelijk op het gevaarlijk stuk van des duivels prentenboek niet best te zamen overweg, en namen het elkander geregeld eenigzins kwalijk als zy een spel verloren, waarin zy malkaârs whist geweest waren; by welke gelegenheid de goede VERNOOY altijd als scheidsman door mevrouw WITSE werd in den arm genomen, en altijd beweerde dat zy onmogelijk anders had kunnen spelen, en dat WITSE ook onmogelijk anders had kunnen spelen, en dat hy het zelf was die ongelukkig zoo erg tegenzat. Deze waardige man was eigenlijk een van die weinige schepselen die voor het kaartspel geschikt zijn, en wie het in 't geheel niet schaadt het te plegen. Het wond hem niet op, het verveelde hem niet, het verbitterde hem niet; hy kon tegen zijn winst, hy kon tegen zijn verlies; hy bleef er vrolijk, en wat alles zegt, "geheel dezelfde" by.

Wat het derde partijtjen betreft, daaraan werd de hoogste toon gevoerd door WAGESTERT, die niet, zoo als VERNOOY, naar den ouden stijl de klaveren uit aardigheid klavooren, de harten uit dito beurtelings harsens of hartzeer noemde, en by ieder hachelijk spel beweerde "dat het zoowel vriezen als dooien kon," — neen, de heer WAGESTERT was veel origineeler, en obstineerde zich de poppen allen hare koninklijke namen te geven, als van SARAH, DAVID, ESTHER enz. Maar HATELING schermde er zachtfluisterend tegen KLAARTJEN met zijn "malheureux au jeu, heureux en mariage" tusschen, en speelde haar de slagen toe, en was haar whist met een teder gevoel in de oogen, en hielp haar op het bostonkaartjen kijken, en kwam zoo dicht by haar aangezicht, dat hare mooie krullen zijn wang en bakkebaarden aanraakten, en prees mevrouw VERNOOY'S verstandig spelen; en mevrouw VERNOOY was verrukt van den lieven, hupschen, gezelligen HATELING, die zoo geschikt was om uit eten te gaan!

Het laatste toertjen werd bepaald; de mooie zijden beurzen kwamen voor den dag. Mevrouw STORK, die het niet wist, maar aanmerkelijk