EEN ONAANGENAAM MENSCH IN DEN HAARLEMMERHOUT.
Onbegrijpelijk veel menschen hebben familiebetrekkingen, vrienden of kennissen te Amsterdam. Het is een verschijnsel, dat ik eenvoudig toeschrijf aan de veelheid der inwoners van die hoofdstad. Ik had er voor een paar jaren nog een verren neef. Waar hy nu is, weet ik niet. Ik geloof dat hy naar de West gegaan is. Misschien heeft de een of ander van mijne lezers hem wel brieven meêgegeven. In dat geval hebben zy een naauwgezetten, maar onvriendelijken bezorger gehad, als uit den inhoud van deze weinige bladzijden waarschijnlijk duidelijk worden zal. Indedaad, ik ken vele menschen, die nog al op hebben met hunne amsterdamsche neven, vooral als ze tot de Lezers in Felix behooren, of als ze rijtuig houden; maar ik heb dikwijls verbaasd gestaan over mijne verregaande koelheid omtrent den persoon van mijn neef Sjabloon:Asac; en niets verschrikkelijker, dan wanneer hy my zaturdagmiddag per diligence een steen zond met een brief er aan, inhoudende dat hy (mits het weêr goed bleef, en er, maar dat kwam er nooit, niets in den weg kwam ) met my den dag in den Haarlemmerhout zou komen doorbrengen; niet dat ik iets tegen het gemelde bosch heb, maar ik had iets tegen ZEd.
En evenwel was hy een beste, eerlijke, trouwe jongen, prompt in zijn zaken, stipt in zijn zeden, godsdienstig, en zelfs in den grond goedhartig. Maar er was iets in hem, dat — ik weet het niet — dat maakte dat ik met hem niet op mijn gemak was; iets lastigs, iets impertinents, in één woord, iets volmaakt onaangenaams.
Ik zou, om iets te noemen, een nieuwen hoed gekocht hebben; geen buitensporig fatsoen (geen nationalen bijv.); geen te hoogen of te platten bol; geen te breeden of te smallen rand; een hoed, goed om af te nemen voor een verstandig man, en op het hoofd te houden voor een gek, doch stellig een hoed om niets van te zeggen. Toch kon ik byna overtuigd zijn, dat mijn beminnelijke neef NURKS, de eerste maal dat hy er my meê zag, met den hatelijksten glimlach van de wareld en met een soort van ontevredene verbaasdheid zeggen zou: "Wat een weergaschen gekken hoed heb jij op." — Nu is het onbegrijpelijk moeielijk; schoon ik gaarne beken, dat de een zich daar handiger in