Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/270

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

262

verloren had, had de edelmoedigheid al de viesjens door elkander te gooien; aan de andere tafeltjens oordeelde men dat niemand iets gewonnen had.

Men stond op.

Nog eenmaal waagde GERRIT zich aan KLAARTJEN, en vroeg haar naar de ligging van haar Buiten; hy vertelde haar, hoe hy het gepasseerd had, en haar had gezien. "Hy deed toen een voetreis.

"O!" zei KLAARTJEN, een voetreis, een geleerde reis zeker, mijnheer WITSE!"

Hy kon niet andwoorden; tranen van spijt sprongen hem in de oogen.

"Is dat ùw boa, juffrouw DONZE? vroeg "HATELING, haar met dat kleedingstuk naderende, en hy wierp het haar over de gladde schouderen.

De gasten vertrokken.

Nog eene foltering wachtte GERRIT.

"Waarom wou je nu niet reciteeren?" vroeg zijn mama, toen alles tot rust was.

"Omdat ik het niet kan, mama!" was zijn andwoord.

"Och," zei de oude WITSE, "wy zullen er maar niet over spreken; maar het is een miserabel ding. De menschen zeggen allemaal dat je knap bent, en wanneer er iemand is, dan ben je altijd stil en ingetrokken. Wy merken er het minste van. Ik kon duidelijk aan mijnheer VAN HOEL zien, dat hy dacht: is dat nu die knappe WITSE?"

"Ja, GERRIT! het is niet plaisirig," voegde mama er by. "Daar hadtje nu mevrouw STORK. Het mensch heeft waarlijk geen moeite gespaard; ze heeft je op alle manieren aangepakt! Het is een knappe vrouw, eene heele, byzondere, knappe vrouw" — zy drukte op elk woord — "en je waart zoo strak als een pop."

"Mevrouw STORK liet me niet aan 't woord komen, lieve moeder!" zei GERRIT met een flaauw lachjen.

"Nu, vriend! dat's eens, maar nooit weer," zei papa; ik bedank er voor; wat hebje aan je geleerdheid, als je ze niet toont."

GERRIT ging dien avond naar zijn kamer, en weende over zijne geleerdheid. "Ik wenschte wel," zei GERRIT, de deur op het nachtslot gooiende, "ik wenschte wel, dat ik een stommeling was."

 

Doctors lief en leed.


Twee jaren later zat de jongeling, dien wy als med. cand. verlaten hebben, als med. doctor in eene geldersche stad aan het ontbijt. De kamer, die hy hier gekozen had, was nog zoo veel mogelijk op den voet van een studentenkamer ingericht; het eerwaardig gelaat van den grooten HUFELAND, dat te Leiden met een paar spelden aan 't behang-