Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/271

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

263

sel was vastgemaakt geweest, had intusschen een zwaarmoedige lijst gekregen; maar het gevilde menschenbeeld, den doctoren zoo aangenaam, hing ook hier, als wedergade van dien zekeren tabel, waarop men in zachte overgangen den Apollo van Belvedère in een kikvorsch veranderen ziet.

Maar waar was het vrouwenbeeldtjen, dat zoo sprekend op KLAARTJEN DONZE geleek? Lang had hy het te Leiden nog voor zijne oogen gehad; maar daar de vriend van het zweetkamertjen, die in het geheim was, het hem over de schoone met de duif op 't hoofd lastig maakte, en zekere rotterdamsche herinneringen hem daarby een kleur in 't aangezicht joegen, was het zachtjens aan naar het achtervertrek verhuisd, zonder op te houden hem ook daar somwijlen een blos in 't aangezicht te jagen.

Twee jaren verliepen, en GERRIT werd ouder, en, zoo als hy meende, wijzer. Hy zag vele andere meisjens, en het ontbrak niet aan kleine verliefdheden voor een dag, of een week, of een maand. De schoone KLARA geraakte op den achtergrond. Te Rotterdam kwam zy niet meer. Mijnheer en mevrouw VERNOOY werden schaars door hen bezocht. Haar naam werd zelden genoemd. Het portretjen geraakte, by andere teekeningen, in een portefeuille.

Heden echter daar wy den doctor aan zijn ontbijt vinden, vinden wy de herinneringen aan het bevallig meisjen weder by hem opgewekt. Vóór hem ligt een brief van den vriend uit het zweetkamertjen, die hem meldt, dat hy het hart van den kolonel vermurwd heeft, en zijne schoone dochter, in spijt van zijn knevelbaard, getrouwd. Hy kan niet nalaten er by te berichten, dat de vooroordeelen by den krijgsman tegen zijn persoon, by nader inzien, toch zoo sterk niet geweest waren, als hy zich in het eerst wel verbeeld had.

"Hy ook reeds getrouwd!" mompelde GERRIT. "Een zoekend advocaat. Wat heeft hy een vrouw noodig? Maar ik, die een zoekend doctor ben — ik behoorde reeds lang gehuwd te wezen. Welk doctor krijgt een degelijke praktijk, zoo lang hy niet een degelijke vrouw heeft?"

Een degelijke praktijk. Hy had nog zoo goed als in het geheel geen praktijk. Maar zoo veel te meer collega's. (Nog gisteren was er een kers-versch van de utrechtsche hoogeschool gearriveerd.) Hy had geen praktijk, maar zoo veel te meer tijd, dien hy toch niet in zijne geliefde boeken mocht doorbrengen. Of moest hy niet op straat gezien worden, als of hy iets te doen had? moest hy niet beleefd zijn en bezoeken afleggen, als of niets hem beter smaakte? zoowel als zijn patent betalen, alsof hy zijn patent verdienen kon? Eén geluk was er voor GERRIT, als hy aan huwen dacht. Vele jonge doctoren verkeeren in het volgend troosteloos dilemma; zy hebben eene vrouw noodig om praktijk, en zy hebben praktijk noodig om een vrouw te krijgen. Maar GERRIT WITSE was bemiddeld. De heer nota-