Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/272

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

264

ris had acten genoeg gemaakt in zijn leven, om zijn zoon het opmaken der gewenschte huwelijksacte mogelijk te maken, al was het ook dat zijne keuze viel op een meisjen, dat behalve haar deugd en haar schoonheid niets ten huwelijk bracht. Had KLAARTJEN DONZE iets meer? Was KLAARTJEN DONZE reeds gehuwd? Hy wist het niet. Maar waarom dacht hy nu weder aan KLAARTJEN DONZE?"

Het sloeg negen ure. GERRIT kleedde zich, en begaf zich naar het militaire hospitaal, waar hy, by gebrek aan eigen praktijk, het een voorrecht achtte het ziekenbezoek van den chirurgijn-majoor te mogen bywonen, en van daar naar de weinige zieken in achterbuurten en stegen, die hem door een ouden collega welwillend waren opgedragen. Hy hoorde met het uiterste geduld hunne eenzame klachten aan, loopende over "geruusch, zuzelingen, en drilligheden in den kop, knoeperingen in den hals, stiktens in de long, draaiïngen van 't hart, water over hetzelve hart loopende, watergal, koekeren van winden," en wat dies meer zij, met en benevens "loopende wurmen, vliegende jichten, en stijgende moeren."

Toen weder naar huis. "Zijn er ook boodschappen?" Andwoord, als gisteren: "Neen."

Daarop moest de oude collega bezocht en verslag afgelegd worden van de opgedragen patienten. De oude collega was een man van een zeventig jaren, die op zieken en gezonden gromde, en daardoor veel ontzag onder beiden had. Zijn taal scheen orakeltaal, zijne recepten werden als sibyllijnsche bladen op prijs gesteld, en zulks vooral door de artsenymendie den ouden doctor afgodeerden. In gevallen die eenigzins ernstig waren, schreef hy er gewoonlijk vijf in de vierentwintig uren. De jonge doctor kon het hem moeielijk naar den zin maken. Reeds verkorf hy het grootendeels, door de militaire praktijk in het hospitaal by te wonen. De bloedzuigers hadden des geleerden grijzaarts sympathie in geenen deele.

Voor deze maal echter bleef het schrollen op de "non missurae cutem," dat zich anders dagelijks herhaalde, achterwege.

"Ik heb hoofdpijn, zei de oude collega, "en het rijden hindert my van daag. Wees zoo goed, in den achtermiddag een buitenpatient voor my te bezoeken; de dochter van vrouw SIJMENS, te Sprankendel. Een mooie wandeling. Gy kunt met de koelte terug komen. De meid is zwaar ziek."

De opgedragen taak was WITSE niet onaangenaam. Sprankendel was een schilderachtig gehucht, te midden van lachende heuvelen, ter zijde van den grooten weg gelegen. De wandeling derwaarts mocht een groot uur kosten. Na zijn maaltijd genuttigd te hebben, aanvaardde hy ze welgemoed. Hy zou het buitenverblijf voorbygaan, waar hy eenmaal de schoone KLARA had zien zitten, met de duif op 't hoofd.

Het geschiedde. Maar nooit scheen een buitenverblijf zoo uitgestor-