Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/273

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

265

ven als dat waar hy thands zoo gaarne leven gezien had. Het was een warme dag; niemand waagde zich op het terras, door een brandende zon beschenen. Aan den gantschen voorgevel waren alle zonneschermen zorgvuldig gesloten. Eenige witte duiven zaten onbewegelijk op het dak, en schitterden in het felle licht. "Zie daar de duiven," zeide WITSE, "maar waar is de schoone? Misschien logeert zy weder by de eene of andere tante, waar de een of andere HATELING haar het hof maakt; misschien, wie weet het? staat zy op het punt zoo'n wezen te trouwen. Arme vrouwen, die het ongeluk hebt een mooi gezicht te hebben! Welke strikken spant men uw geluk! Gy meent dat men u liefheeft met al de waarheid, al de kracht, al den eenvoud eener eerste liefde, en ondertusschen...."

Ondertusschen zat het onschuldig voorwerp dezer misanthropische bespiegelingen hoogst waarschijnlijk aan een goeden maaltijd.

WITSE moest weldra den straatweg verlaten, om het schoone Sprankendel op te zoeken. De kleine beek, waar het gehucht zijn naam naar droeg, wees hem het naaste pad tusschen de vruchtbare heuvelen. Nu eens verschool zy zich als een gants onbeduidende sprank byna geheel onder overhangende struiken en onkruid; maar dan kwam zy weder dartel en helder te voorschijn, met niet weinig drukte van een hooger grond afdalende. Eindelijk bereikte WITSE den oorsprong, waar het water zachtkens uit het zand opwelde, en een kleine kom vormde, waaruit zich verscheidene spranken in onderscheiden richting over gladde keisteenen een weg baanden.

Een jeugdig echtpaar scheen dit plekjen, schaduwachtig en koel, tot eene rustplaats te hebben uitgekozen. De bevallige jonge vrouw op het gras nedergezeten hield een vrolijken krullebol op den schoot, die tegen de waterbellen en schuimkrinkels lachte; de jeugdige man, met een glimlach op de lippen, zag beurtelings naar moeder en zoon.

"Ziedaar het geluk dat ik verlang," zuchtte WITSE. Een zijpad bracht hem by de weduwe, wier dochter zijne zorgen behoefde. Het was haar eenig kind niet. Zy had nog eene dochter, die met de nu zieke haar bystond in het wasch- en bleekwerk, dat voor een gedeelte in haar onderhoud voorzag, en daarenboven een zoon, die voerman was en het drietal koeien verzorgde dat zy op de omgelegene heuvelen weidde. Het was een dier gelukkige huisgezinnen die geen vreemde hulp behoeven; waar nimmer gebrek is, maar ook nimmer overvloed, en zuinigheid en werkzaamheid onontbeerlijk zijn. Voor de deur vond onze arts de oudste dochter, een beeld van gezondheid, bezig een dier groote koperen melkkannen te schuren, die in heuvelachtige streken op het hoofd gedragen worden.

"Hoe gaat het met BARTE?" vroeg hy haar.

"Olik, doctor, olik," zei de deerne, haar voorhoofd met het buitenste van de hand afvegende. Heeroom is er by."