Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/278

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

270

nis en vruchtbarer levensbeschouwing getuigde. Indien ik daartoe onvermogend ware, ik zou moeten zeggen, ik heb een dozijn jaren te vergeefs geleefd.

Waarde vriend, er heeft, sints ik u voor de eerste en tweede maal het meerendeel dezer onbeduidende opstellen opdroeg, al vrij wat plaats gehad in en rondom ons. Het leven is ons sedert eerst duidelijk, ja, wy mogen wel zeggen eerst bekend geworden, en op onderscheidene wijzen werden wy by den ernst des levens en by onszelven bepaald. Het is wel eens bang geweest daar binnen, en donker daar boven. Er hebben tranen gevloeid, van wier bitterheid onze vrolijke jeugd, ondanks al haar verbeeldingskracht, geen denkbeeld had. Gelukkig, indien wy vreugden en ook vertroostingen hebben leeren kennen, waarvan de kracht en zaligheid in onze jonge harten niet was opgeklommen. Zy zijn er; en Diezelfde die ons onze vrolijke jeugd schonk, heeft ze te zijner beschikking, en geeft ze aan die ze behoeft. Danken wy Hem, die ons een hart gaf om alles te gevoelen, een hart waaraan niets menschelijks vreemd bleef, en dat ook voor het goddelijke niet onaandoenlijk is. Ook in dien speeltijd van onzen geest, waaraan dit boekdeel ons herinnert, stonden wy nu en dan stil, als op eene aanraking met het hoogere, met het hoogste. De tijd is gekomen om daaraan geheel ons hart over te geven, en by het waarachtige licht alles en allen, maar allereerst onszelven te zien. Neen, het is de vraag niet meer van spelen, maar wel van wederom kinderen te worden. En daar is een kind zijn, waarin alleen de kracht, de wijsheid, en de vreugde van den man gelegen is.


1 October 1851.