20
gedraagt dan de ander, en ik niet een van de gaauwste ben; nu is het onbegrijpelijk moeielijk, onder een dergelijke kritische verklaring omtrent uw hoed een tamelijk figuur te blijven maken. Het in ernst voor uw hoed op te nemen, is wat al te gek. Het met een: "hé, vindje dat?" af te laten loopen, verraadt volslagen gemis van tegenwoordigheid van geest. Te repliceeren met eene hatelijkheid op des critici eigen hoed, is wat kwajongensachtig. En hoewel eene aardigheid te zeggen het alleruitmuntendste zou zijn, en er een schat van aardigheden mogelijk is, zoo is het evenwel byzonder opmerkelijk, hoe weinig men er dikwijls op zulk een oogenblik by de hand heeft. Zoodat de kritische hoedeninspecteur gewoonlijk de voldoening heeft eene kleine verlegenheid te weeg te zien gebracht, welke hy met demonische wellust geniet.
Indien gy uit dit kleine voorbeeld van mijn hoed; het is in 't oog loopend hoe dikwijls hoeden tot voorbeelden dienen; niet een vrij beslissenden kijk op mijn neef NURKS karakter hebt, dan zal het heele verhaal, dat ik schrijven ga, nutteloos aan u verkwist zijn, lezer, en dan zal ik ook zoo vrij zijn u tot uw straf te houden voor een sprekend evenbeeld en wedergade van dienzelfden ROBERTUS NURKS. Men zou intusschen verkeerd doen, zich dien waardigen amsterdamschen jongen voor te stellen als ongelukkig, ontevreden, of zwartgallig. Hy was alleen maar hatelijk, en zulks deels uit gewoonte, deels uit eene diepe en misschien voor hemzelven verborgen jaloezy. Hy was in 't geheel geen knijzer, altijd vrolijk gestemd en de vrolijkheid beminnende; maar hy scheen er een genoegen in te vinden, zijne vrienden kleine grieven aan te doen, en niet alleen zijne vrienden, maar in het algemeen de onschuldigste menschen van de wareld. Een opvoeding boven zijn stand had hem, geloof ik, die lompe aanmatiging gegeven; en onverstandige ouders hadden hem te vroeg er aan gewend om zijn jong oordeel over een iegelijk, die hun huis bezocht, met toejuiching aan te hooren. Van daar dat hy niets had van dien kieschen terughoudenden schroom, die even bang is om te beleedigen, als om beleedigd te worden; niets van die zachte humaniteit, die men, ondanks alle gezag van spreuken als "Ingenuas didicisse fideliter artes etc." nog veel beter van zijn moeder kan overnemen, dan uit de klassieke litteratuur halen. Trouwens hy kende maar zeer weinig latijn.
Indien ROBERTUS NURKS zeker wist dat gy half verliefd waart, hy zou de gelegenheid vinden om het voorwerp uwer stille genegenheid in het gesprek te pas te brengen, onder de u door 't hart snijdende byvoegelijke naamwoorden van "leelijk, dom, onbeduidend, mal," of dergelijke. Kende hy mijn lievelings-autheur, hy haalde er in gezelschap de leclijkste plaatsen uit aan, met byvoeging van, "zoo als HILDEBRANDS hooggeloofde die of die zegt." Waagdet gy nog eens een oude anecdote, die u al veel genoegen verschaft had, waarvoor gy dus