21
billijk eenige genegenheid voeddet, en waarvan gy u ook deze maal nog al vrij wat beloofdet, omdat allen zich hielden als of zy haar niet kenden, hy bedierf er de uitwerking van, door juist als 't op de aardigheid aankwam, het verhaal al raffelende voor u af te maken; van den Enkhuizer Almanak van 't jaar één te spreken, en te zeggen dat alle anecdoten laf zijn, en dit er een was, die hy honderd malen van u gehoord had. In 't kort hy kende al de zwakke plaatsen van uw familie, van uw ziel, van uw hart, van uw liefhebbery, van uw studie, van uw beroep, van uw lichaam en van uw klederkast, en had er vermaak in, ze beurtelings pijnlijk aan te raken. En ik weet niet welke bezweerende of magnetische kracht hy op u uitoefende, om u geheel weerloos te doen zijn.
Het zal nu drie jaren geleden zijn; ik moet zuinig wezen met de jaren, want ik ben nog zoo jong; dat mijn neef NURKS my op zaturdag den 14den July, — gy kunt den almanak nazien of het uitkomt — weder een steen zond, die my dan ook als zoodanig op het hart viel. Hy zou morgen, na ochtendkerktijd, by my komen, en 's avonds met den wagen van achten weer vertrekken. De uren daartusschen zouden wy aan de vriendschap en het genoegen offeren. — Ondertusschen had ik plan gemaakt voor eene andere vriendschap en een ander genoegen. Ik had een leidschen makker by my gelogeerd, met wien ik te Zomerzorg eten zou, om vervolgens over Velzerend naar Velzen te wandelen, waar wy den nacht zouden doorbrengen, om 's morgens vroeg naar de Breêzaap te gaan en aldaar wat te botaniseeren, waarvan wy beiden groote liefhebbers zijn. Ik hoop dat niemand van mijne lezers my daarom verachten zal, naar de gewoonte van vele menschen, die aan de waarde en het gehalte van genoegens twijfelen, die zy niet in staat zijn te beoordeelen. Mijn neef NURKS behoorde tot dezulken. Het opgemelde plan was met groote opgewondenheid en wederzijdsche goedkeuring gemaakt. Het was als of onze zielen er in samensmolten. Ik beloofde mijnen medischen student; wiens naam, omdat hy bang voor recensentenhatelijkheden is, ik heb moeten beloven te zullen verzwijgen, en wien ik daarom voor 't gemak BOERHAVE zal noemen; ik beloofde mijnen medischen student, behalve de schatten van de Breezaap, ook nog bloeiende exemplaren van de aristolochia clematitis, op den weg tusschen Zomerzorg en Velzerend, en daar hy ook eene verzameling van conchiliën nahield, stond hy in lichterlaaie verrukking, toen ik hem verzekerde dat op de hoogte der Blaauwe Trappen de boomslakken over uwe laarzen kruipen of 't zoo niets is. — Maar de steen uit Amsterdam verbrijzelde alle die zaligheden, en het gantsche plan moest worden uitgesteld, onder de voor ons verschrikkelijke gedachte, van den geheelen dag in den Hout te zitten; want een fatsoenlijk Amsterdammer komt alleen in den Hout.