22
De opoffering viel ons moeielijk, en ik verdacht den hupschen BOERHAVE (die niet zoo als ik den band des bloeds gevoelde, en daarenboven een onbepaald vertrouwen koesteren moest op de wetenschap, die hy beoefende) van den heimelijken wensch, dat mijn liefelijke NURKS, van wien hy zich, half by instinkt, half door mijne kwaadsprekendheid, niet veel goeds beloofde, tusschen zaturdagavond en zondagochtend eene kleine ongesteldheid mocht ontwaren, die hem mocht doen besluiten tot een kort briefjen op de eerste schuit enz.; maar ik wenschte hem op een allerliefste buitensocieteit vol "vermoakelijkheden," of op een dolprettig diner aan den Beerenbijt, met drie leden van de Munt en zeven van Doctrina, waar men elkander allergeestigst met het wederzijdsch ophemelen der beide societeiten plagen kon, tot groote bemoeielijking van den elfden man, die lid van beiden was, en den Doctrinisten wel gelijk wilde geven, omdat ze de meerderheid hadden, maar de Munters niet afvallen, omdat ze de grootste heeren waren. In een dergelijk gezelschap had mijn vriend NURKS, die in de universaliteit van den elfden deelde, dan gelegenheid gehad om zijn hart te luchten over den "lastigen dikken weerga" (een oom van een der gasten) die altijd den Haarlemmer las als hij hem wou hebben, in de eene, en "den onverdragelijken langen zwiep" (een germain neef van een ander der aanwezigen), in de andere, die altijd pot maakte als hy pas begonnen was carambole te spelen. Edoch het was bestemd, dat hy den zondag van den 15den July in den Haarlemmerhout zou doorbrengen.
"Ha, hoe maakje't, ROB!" riep ik uit toen hy binnenstapte. "Mijn vriend, de student BOERHAVE, neef." — Was het valschheid dat ik hem hartelijk ontfing? Ik geloof neen. Toen ik over het plan van Zomerzorg en de Breêzaap heen en hy werkelijk daar was, nam ik er den besten kant van, en ik had hem toch ook in zoo lang niet gezien.
"Best, jongen; — mijnheer, je dienaar! Jongens, wat is me dat end van de Amsterdamsche poort weer tegengevallen!"
"Mijnheer moet anders aan lange enden gewoon zijn," merkte BOERHAVE aan, ik geloof om zijn aardrijkskundige kennis van de hoofdstad te toonen.
"Ja, dat is zoo," zei NURKS, met een byzondere kracht op ' t woordtjen is; "maar daarom juist, als men zoo'n mal klein stadtjen als Haarlem de eer aandoet, wil men 't liever niet.
NURKS wierp cen blik in den spiegel. Zijn eene halsboord had het door de warmte; het was zeer warm weder dien dag, vooral in de diligences; had het door de warmte te kwaad gekregen, en lag in zwijm over den rand van zijn strop.