23
"Malle dingen! anders een goed fatsoen; ik hou niet van die ronde boorden.
BOERHAVE en de nederige inwoner van het malle kleine stadtjen waren er mooi mee; hy verbeeldde ' t niet gezien te hebben.
"Kanje nog al niet rooken, HILDEBRAND?
Ik vloog naar den portecigare en bood hem dien aan.
"Hebje nog altijd dat strooien soortjen, zei hy, de punt van dengene dien hy genomen had met het ongeloovigste gezicht van de wareld afbijtende, en toen zijn vroeger onderwerp weer opnemende, daar hy nog niet genoeg van had:
"Jongens, ik vind dat het zoo mal staat als iemand niet rooken kan. Hy zit altijd met zijne vingers ergens aan. Ik ken nog iemand die nooit rookt, maar dat is de miserabelste karel van de wareld."
Ik begreep dat ik al vrij veel kans had om, by eventueel overlijden van dien heer, denzelven in zijn hoogen rang in de schatting van mijn neef op te volgen.
Nu volgde een gesprek, voornamelijk bestaande uit eenige informatien naar wederzijdsche kennissen, waarin geen enkele onaangenaamheid voorkwam, dan dat hy, toen ik naar een zeer intimen vriend vroeg, dien hy zeer wel kende, noodig had zijn geheugen op te scherpen met de herinnering, "of het die was, wiens broer die smeerige affaire met de policie gehad had," opdat BOERHAVE, die daartoe al den tijd had, zoo mogelijk allerlei vermoedens tegen de familie zou kunnen opvatten. Ik weet niet of hy het deed; maar kort daarop verliet hy ons een oogenblik om een knipbriefjen af te vaardigen, welk punt des tijds dadelijk door NURKS werd waargenomen, om my met de aanmerking op te winden:
"Die vriend van jou lijkt sprekend op dien schoenenjood, die altijd op den hoek van de Vijzelstraat en Heerengracht staat." — en toen ik groote oogen opzette, — "och ja, je weet wel, die leelijke karel! net of hy een trap van een paard gehad heeft."
Nu, op dat oogenblik kwam BOERHAVE weer binnen; over de gelijkenis van den schoenenjood op den hoek van de Vijzelstraat en de Heerengracht kon ik niet oordeelen, omdat de respective aangezichten der respective schoenenjoden van Amsterdam my niet duidelijk en onderscheiden voor den geest stonden; maar op mijn vriends gelaat iets te lezen, dat denken deed dat het ooit in eenige onvermakelijke aanraking geweest was met het viervoetige dier door den vleienden NURKS genoemd, was my ten eenenmale onmogelijk. Wy gebruikten koffy en brood, welke beide artikelen de eer hadden de volkomen goedkeuring van mijn neef weg te dragen. Wel beweerde hy de nadeeligheid van het eerste zonder melk te drinken, waaraan zich de medicus schuldig maakte, en verzekerde dat hy 't altijd aan iemands teint zien kon, "want het teint werd er leelijk van;" maar