Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/32

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

24

toen de medicus er voor uitkwam dat hy medicus was, en in die hoedanigheid daar nooit van gehoord had, veranderde hy van battery, en begon mijn vriend een verkwikkend tafereel op te hangen van de veelheid der jonge doctoren, die in Amsterdam, zonder brood, op dure kamers woonden, allerlei laagheden doen moesten om een bus te krijgen, en dergelijke opwekkelijke voorstellingen meer, recht geschikt om een medicinae candidatum in zijn studiën aan te moedigen, terwijl hy ze allen bekroonde met de plechtige verklaring, "dat er niet één medicus in de wareld was wien hy, ROBERTUS NURKS, wat hèm betrof, zelfs maar over zijn kat vertrouwde."

Wy gingen Houtwaarts. Het was ruim één ure. Nu, alle welopgevoede dingen hebben hun gestelden tijd. De nachtegalen komen in 't voorjaar, de vinken en lijsters in 't najaar; de zon schijnt by den dag, de kaarsen by den avond, en de maan by nacht. Zoo is het ook met de menschensoorten. Al wie met de duizend en een species van het genus Haarlemmer bekend is, weet dat zy allen des zondags hun verschillenden wandeltijd hebben; iets, 't welk zeer natuurlijk wordt, als men aan den verschillenden eettijd denkt, en daarby in 't oog houdt dat er veel menschen naar de middagkerk gaan, terwijl een groot gedeelte niet weet dat er een middagkerk is. Als men alle deze species rangschikt, en men tevens acht slaat op de vreemde vogelen, die uit andere luchten op een zonnigen zondag komen aanwaaien, dan zal men een aaneengeschakelde opvolging hebben, niet ongelijk aan die der elkander, naar de schoone vergelijking van H0MERUS, als boombladeren wegstootende geslachten in het bestaan des menschdoms, of aan die der elkander voortstuwende barbaren van het Europa der vijfde eeuw.

Zoo zal de natuuronderzoeker, die des zondags morgens de kerk verzuimt, of naar de vroegpreek is geweest (wat ik liever onderstellen wil) en om tien ure, half elf, in den Hout komt, op het Plein of by den Koekamp (de naam is niet welluidend), eenige zwermen feestvierende vogels van den Haarlemmerdijk inhalen, per schuit van zevenen uit Amsterdam vertrokken. De mannetjens zijn blaauw of zwart geteekend, en hebben, sliknatte, fijngekrulde bakkebaarden. Ze zijn voorzien van lange steenen pijpen, waaruit ze of rooken, of die ze losjens by den kop tusschen de vingers houden, en zoo met den steel naar beneden onverschillig laten slingeren. Merk de regenschermen. De wijfjens zijn wit. Ze houden haar opperkleed op, zoo dikwijls ze over een droppel water stappen, en dragen 't geheel opgespeld als er wezenlijk plassen liggen van den regen van zaturdag. Zy eten gestadig uit haar zak; sommigen in den zwerm hebben daarenboven nog een toegeknoopte kinderluur met mondkost by zich. Men ontmoet ze meestal in koppels van negenen: twee mannetjens op zeven wijfjens. Ze dwalen een heel end ver, somtijds wel tot Heemstede of de