Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/33

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

25

Glip af, maar strijken ' s namiddags, onder een kruik bier en een bosjen scharren, aan de Groene Valk of in den Aalbessenboom neder, om met de laatste schuit naar Amsterdam te vertrekken; terwijl intusschen de toegeknoopte kinderluur van knapzak tot een korijen is omgeslagen, om "blommen" in thuis te brengen, die drie weken lang in een aarden melkkan zonder oor, in een klein winkeltjen of op den bovensten trap van een kelder, hier zonder licht, en daar onder den frisschen adem van een stinkend riool, het geluk en den rijkdom zullen uitmaken van iemand die garen en band verkoopt en tevens besteedster is, of van iemand die turf en hout slijt en tegelijk uit werken gaat.

Wandelt de natuuronderzoeker voort, dan ziet hy in 't voorbygaan eerst nog een dergelijken troep, die zich in den aanblik van het paviljoen verlustigt, en waarvan al de individus, om zich te overtuigen dat het geen droom is, zich met beide handen aan de spijlen van het hek vastklemmen, zich by geen mogelijkheid kunnende verklaren wat voor aardigheid of vrolijkheid er wezen mag in de groep van Laökoön, maar op dit punt overeenkomende, dat de W in het frontespiece "WULLEM" beduidt.

Meergemelde natuuronderzoeker heeft even den Dreef verlaten, om in de verrukking van deze vreemdelingen te deelen, maar gaat nu door een allerliefst laantjen, waarin de ochtendzon allergeestigst door 't hooge geboomte speelt, op de logementen af. Hy wandelt een geele barouchette en een blaauwen char-à-banc voorby, die hy onder 't geboomte uitgespannen ziet, als ware 't om menigeen van huns gelijken derwaarts te lokken. Het is alles nog doodstil. 't Is een liefelijke morgen. Een enkel heer met een grijzen paardenhairen Saxen Weimar, bruinen rok, grijzen zomerbroek, engelsche spikkelkousen, lage schoenen en een tenger hoogfatsoenlijk uiterlijk, zit aan een der houten marmeren tafeltjes van het Wapen van Amsterdam voor de deur, zeer op zijn gemak een boek te lezen; een dikachtig heer met roode wangen en een opvliegend voorkomen, met zwarten rok en in 't kort, leest er steunende op zijn stok een courant, op een stoel zonder tafeltjen neergevallen. Een jonge vrouw, nog pas onlangs uit het kraambed hersteld en nog een weinigjen bleek, zit aan een ander tafeltjen, waarop uitgediend ontbijtgoed staat, met een lief mutsjen met lichtblaauw zeister op en een lichtblaauw japonnetjen aan, gemakkelijk in haar stoel geleund, te breien, en wijdt van tijd tot tijd haar aandacht aan haar kindermeid, die met een amsterdamsche kornet op 't hoofd, of liever ààn 't hoofd, want dat soort van mutsen laat het hoofdhair tot aan de kruin toe onbedekt, en een rozenrood japonnetjen, met een zwart schort met puntjens voor, op everlasting schoenen, met kruislinten net als mevrouw, over het schelpenpad aan den overkant rustig voorttrippelt, met aan de eene gehandschoende