Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/34

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

26

hand een kind van twee jaar, met een baleinen valhoedtjen met rozeroode strikjens, en aan de andere een van drie, in beugeltjens; welke kinderen zy zoo dikwijls als zy iemand tegenkomt, wien zy een goed denkbeeld van hare opvoeding of van haar dienst geven wil, met het plechtige "uwé" toespreekt: "Spreekt uwé niet tegen meheer, SORSETJE? — Foei FRANSWATJE, wat maakt uwe uwees handtjes vuil met die schullepies." — Aan de Hertenbaan vertoonen zich hier en daar een paar jonge dames, in 't bloote hoofd, en in een costuum dat zy "zoo geheel buiten" noemen, en voornamelijk gekenmerkt wordt door sterk gekleurde zijden schortjens, bezig met "aan de lieve beestjens eten te geven." — Deze zijn de gelukkigen, die by STOFFELS logeeren. In de sociëteit is nog niemand; maar een tweetal knechts, een volwassene en een jongen die nooit volwassen worden zal, staan tegen elkander over in het middelste deurraam met de handen op den rug het talent van ZOCHER te bewonderen, dat de heeren van TROUW MOET BLIJKEN in de gelegenheid gesteld heeft tot de schepen toe te zien, die door ' t Sparen gaan. — In 't logement op den hoek zit een zaandamsche familie, gisteren aangekomen; al de mannen zeer lang, en in een volmaakt pak blaauwe kleederen uitgedoscht, met zwarte dassen en witte onderdassen, de vrouwen met de nationale kap, en zwarte tanden. Zy drinken reeds koffy, en laten zich van den kastelein, die de vrijheid neemt van in de deur te blijven staan, omtrent vele wetenswaardige dingen onderrichten. Opmerkelijk is, tegen een der palen en daarenboven op een stok geleund, een gebrekkig man, niet zoo zeer een bedelaar, als wel een afwachter van aalmoezen; een dier onsterfelijken, die de oudste haarlemmers altijd even oud en altijd even beschadigd daar gezien hebben. Sommigen verdenken hem van een stille verklikker te zijn; ik geloof het niet; maar indien hy het is, dan is hy het zeker alleen maar om aan de kindskindskinderen te verklikken op wat wijze hunne grootvaders in den Hout hun geld verteerden.

In dezen toestand blijft de Hout tot elf uur of half twaalf. Alsdan rukt de voorhoede der haarlemsche wandelaars er in. Zy bestaat voornamelijk uit dezulken, die zich de zes overige dagen, aan beroep of nering gebonden, van alle vertreding spenen moeten, en dus des zondags de grootste appetijt hebben. Het zijn de kleine winkeliers met lange roksmouwen; de boekhouders die watten dragen; de ambachtsbazen met hooge hoeden, lange panden, en lange lenden; allen met hunne vrouwen één, en met hunne dochters drie graden boven haar stand gekleed, en alleen in dit byzondere geval met hunne zonen, wanneer deze het niet zóó ver in de wareld hebben gebracht om zich hunner te schamen; want er vallen secretarieklerken, ondermeesters en kleine bloemisten onder voor; maar indien dit het geval niet is, dan ook kunt gy zeker zijn vader en zoon met gelijke en gelijkvormige rottingen te zien voortschrijden. Voor het overige bemerkt men reeds nu