Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/35

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

27

een enkel jong mensch uit deftiger stand, hetzij dan een notaris-klerk of een surnumerair by het gouvernement van Noordholland, die daar hy geen schepsel wist te verzinnen aan wien hy na kerktijd een bezoek schuldig was, nu maar naar STOFFELS stapt, en verbaasd van daar nog niemand van zijn kennis te ontmoeten, zich met den hond van den kastelein behelpt, die door zijn innemende vriendelijkheid bewijst dat mijnheer habitué is.

Hen volgen, tegen half twee, twee ure, de deftige burgers uit de stad. De fabrikant met zijn familie, de notaris met zijn familie, de boekhandelaar met zijn familie, en de wareldsche kinderen van den geestelijke, zonder hunne ouders. Ook komen nu de bloemisten van den Kleinen Houtweg met vrouw en kroost opzetten. Voorts bemerkt men zusters met haar eerste voiles, die met broêrs met rokken gaan wandelen, op hoop van andere zusters met voiles en broêrs met rokken tegen te komen; en reeds nu en dan een enkel rijtuig, als b, v, de chais van den doctor, die met zijn beste tuig en zijn vrouw een tourtjen doet, en het wagentjen van den grutter, die geen plaisiergeld betaalt, reeds tegenkomt; voorts de demi-fortune van den kleinen rentenier; maar ook reeds het blinkend verlakte rijtuig met de zwarte harddravers met witte koorden leidsels van den welgestelden makelaar, en het rijpaard van den kostschoolhouderszoon; alles doorkruist en voorbygereden van amsterdamsche char-à-bancs voor twaalf personen, daar er veertien met een kind, en calèches voor drie, daar er vijf met een hoedendoos in zitten; schoon ik zeggen moet dat de meeste dezer laatsten in de stad uitspannen.

Het gebeurde alzoo, dat als wy drieën om één uur de Houtpoort uittraden, wy noodwendig op bun terugtocht tegenkwamen de kleine winkeliers met lange roksmouwen, de boekhouders met watten, de hooghoedigen, de langpandigen, de langlijvigen, enz.; en als 't ware aankondigden de komst der notarissen, der fabrikanten, der boekverkoopers, der doctoren, der apotbekers, der bloemisten, der zusters en broers enz. die nog achter ons waren.

"Wat zien uw stadgenooten er over 't algemeen peu fashionable uit!" zei NURKS, met dien byzonderen lach, dien de engelschen a sneer noemen, een zeer druk en aangenaam gesprek afbrekende en oogenblikkelijk weer opvattende, om my het andwoorden te beletten. Een boom of wat verder pleegde hy my hetzelfde boevenstuk met den uitroep:

"Ik dacht dat er zooveel beau monde in je menniste Haarlem was! En weder vergunde hy my niet in het midden te brengen, dat de geheele deftige middelstand nog achter onzen rug was, die niet voor een uur later, eerst door de hoogere amptenaars, en daarna door de haute volée zou worden opgevolgd. Hy wist het ook trouwens even goed als ik.