28
Wy namen plaats by STOFFELS. De onbeleefdheden, die tot nu toe alleen aan ons beiden verkwist waren, werden nu ook algemeen verkrijgbaar gesteld. Ik zat nog niet, toen NURKS al uitriep, zoo dat al de belendende gezelschappen het hooren konden:
"Lieve hemel, HILD, wat heb je een mooi vest aan; dat had ik nog niet van je gezien; jammer dat het fatsoen een paar modes ten achteren is." De leelijkert had duidelijk gezien, dat ik het voor 't eerst aan had, en er van tijd tot tijd met innig welgevallen naar keek. Ik stak dadelijk mijn beenen onder de tafel; want het was my op zijn minst vijfenzeventig maal gebeurd, dat hy, met een opgetrokken neus naar de punten van mijn schoenen loerende, my had afgevraagd: "Waar laat je die turftrappers maken?"
Van een goeden krulhond, die met veel liefde door een oud man gestreeld werd, heette het: "Wat een mormel!" Van een paar schimmeltjens, die voor de deur stilhielden, en waarmeê de eigenaar met groot zelfbehagen pronkte: "Leelijke koppen!" Van het kindtjen in beugels, dat al van half elf gewandeld had, en er schrikkelijk verhit uitzag: " Als ik er zoo eentje had, deed ik het een steen om den hals." Alles luid genoeg om verstaan te worden door de respective eigenaars van het mormel, de leelijke koppen en den jongen heer. Er zat een statig man, wiens geluk half weg was, omdat hy, in den morgen bloemen gezien hebbende in het Sieraad van Flora, by het inkruipen van een grooten bak, eenigzins aan een spijker was blijven haken. Hy had daar toen niet veel acht op gegeven, maar nu rustig in den Hout een cigaar zittende te rooken, ondekt hy, te midden zijner overpeinzingen een kleinen winkelhaak in zijn pantalon, vlak by de knie. Hy had het zoo haast niet gezien of hy wierp er met veel handigheid zijn zijden zakdoek over, maar te laat om de aanmerking van NURKS te ontgaan, die juist op dat zelfde oogenblik tot ons zei: "Ik mag wel zoo'n maneschijntjen." De bloemenliefhebber kreeg een kleur als een Cactus Speciosa, om welke te verbergen hy in verwarring naar zijn zakdoek greep om zijn neus te snuiten; zoodat de maan weer plotseling door de wolken brak, tot groote vrolijkheid van een gezelschap amsterdamsche juffrouwen en heeren uit een manufactuur-winkel, die zich op dien merkwaardigen dag ten minste voor staatsjufferen en kamerheeren van Z. M. den koning wilden gehouden hebben.
"Is dat een rok van je vader?" vroeg NURKS grappig aan den jongen, die hem zijn limonade bracht, en zich zeker niet zeer bekrompen in dat kleedingstuk bewoog.
"Ik heb geen vader," zei de arme jongen, en het ging my door de ziel.
De beau monde verscheen met al zijn gedistingueerde geuren en