Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/38

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

30

brengen op Doctrina, aan zijn tafel, en in de Munt, en in den loop van de week te pas te jagen op twee concerten en in vijf koffyhuizen (zoodat ik met grond onderstel dat hy er nu de harten der liplappen en blauwen in de West meê verkwikt); en al wie de eerste niet "verbazend" en de laatste niet om te schreeuwen vond, wist hy oogenblikkelijk iets stekeligs te zeggen op het gevoelig punt van bakkebaarden en stropdassen.

Er kwam muzijk. Drie dames met lange reticules en opmerkelijk door roode linten op de muts, oranje tissus om den hals, en voorschoten met diepe zakken met schuifjens. Eene breede sproeterige Saffo met eene hooge sproeterige harp in het midden, en twee tanige vrouwen, die met handen vol diamanten, die een sterken familietrek van glas hadden, op de viool speelden. "Drie poetjes van gratietjes, zei "NURKS lachende, en luid genoeg om een langen procureursklerk meê te doen lachen, die veel verder van hem af was dan de gratietjes in quæstie. Het snarenspel begon. NURKS stopte van tijd tot tijd den vinger in de ooren, dat toch niet opwekkelijk wezen kon voor drie kunstenaressen, die ook wel wisten dat het zoo heel mooi niet was, en ook niets verder bejaagden dan een dubbeltjen of een stuiver van elk der toehoorders, en een weinigjen geduld. De violen hielden met een fikschen kras op, en de harpspeelster hief, met een eenigzins schorre stem, en juist voor de drieëntwintigste maal op dien gedenkwaardigen morgen, het toen even zoo min als nu nieuwe, maar altijd sleepende:

Fleu — ve du Ta — ge

aan.

"Bah; wat is ze leelijk als ze zingt," klonk dwars door de aandoenlijke woorden der romance heen, uit den heuschen mond van ROBERTUS, wien het zeker nooit in 't hoofd was gekomen, dat ook een arme vrouw ijdelheid zou kunnen hebben. Het lied liep verder zonder stoornis af; zoodat de reticule geopend kon worden, om het bekende roodverlakte flesschenbakjen met blinkenden rand te voorschijn te brengen. Ik had er een gulden op willen leggen, indien de zangeres {[asc|NURKS}] niets gevraagd had. Maar er was geen houden aan, en daarom gaf ik maar een dubbeltjen. Zy kwam tot NURKS.

"Hoeveel octaven kan jij wel zingen?" vroeg hy, werkelijk grijnslachende, maar tegelijk een vijfjen op 't blaadtjen leggende; want zóó was hy. Men moet in den handel ook het vuile geld aannemen.

"Merci, monsieur," zei de harpspeelster, met neergeslagen oogen, en was reeds by den man met den gescheurden pantalon.

De lange procureursklerk was middelerwijl van plaats veranderd, en zat nu toevallig aan een tafeltjen, 't welk de virtuoze alreede was voorbygegaan. De violen hadden ondertusschen lustig doorgespeeld, ik weet niet of men er te milder of te kariger om gegeven had. Nu werd er nog een