Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/39

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

31

zeer korte, zeer vlugge trio uitgevoerd, waarop al de dames al de oogen nedersloegen, al de lippen bewogen, negen, en vertrokken. Thands zag een een loopend klarinettist, zonder hoed, de baan schoon om ook zijne talenten te doen hooren.

"Altijd hier in het land een opeenvolging van slechte muziek;" merkte NURKS aan.

"Och, ik vind het nog al vrolijk," zei ik bemiddelend.

"Ja maar," zei hy, my strak in de oogen ziende, en een langen teug limonade nemende — "ja maar — ik geloof, om je de waarheid te zeggen, niet dat je heel muzikaal bent." Nu voor deze laatste impertinentie behoeft men geen ROBERTUS NURKS te wezen. Daartoe acht zich, volgens mijne ondervinding, ieder liefhebber gerechtigd, die in zijn huis een eerste en eenige, en in het een of ander orkest een tweede viool speelt, en een derde spelen zou, indien er een derde viool bestond; ja, ik heb er onder de paukenslagers gekend die in dit opzigt de crimineelsten waren. Och, al is men maar iemand, die op een concert zijn hand met zekere majesteit onder zijn kin kan leggen en zijn oogen toeknijpen met diep gevoel, om ze niet dan by een point d'orgue schielijk en geheel verward, en als kwam men uit een andere wareld (uit de wareld der inbeelding by voorbeeld), open te doen; — of al slaat men er zelfs maar met zekere wijsheid de maat met het opgevouwen affiche of met den geglaceerden wijsvinger; of al heeft men maar even den slag om by het wederkeeren van het thema in een groot muzijkstuk een lachjen, liefst een zenuwachtig lachjen, voort te brengen, dat met telegrafische duidelijkheid zegt: "we zijn weer thuis!" — of al heeft men maar alleen de vereischte bekwaamheid om van een zangeres, die algemeen bevallen heeft, met een diepnoodlottig neergelaten wenkbraauw en allerbedenkelijkst hoofdschudden te decreteeren, "weinig methode;" — of den tact om klassieke van romantieke muzijk te onderscheiden en te zeggen: ik hoorde toch liever LA FOND of BERIOT dan de {[asc|EICHHORNS}} of ERNST; — ik zou zeggen, al heeft men slechts eenmaal een blad muzijk gecopieerd: — met een van alle deze muzikale eigenschappen toegerust, heeft men eens vooral de bevoegdheid op de rest van 't heelal met verachting neer te zien, en alle verdere creaturen, zoodra ze zich iets omtrent de goddelijke toonkunst verstouten, in haar aangezicht te verklaren dat ze niet muzikaal zijn. Die onbeschaamdheid hebben de speelmannen, horenblazers, doedelaars, tokkelaars en trommelslagers op de kunstenaars van andere vakken vooruit. Geen schilder, wanneer ge in zijn atelier komt en gy zegt iets van zijne of eens anders schildery, hetzij juist of minder juist, zou de onbeleefdheid hebben van te zeggen: "ik geloof niet dat mijnheer veel oog op de kunst heeft." Geen autheur, voor wien een fatsoenlijk mensch zijn gedachten uitbrengt over een roman, een gedicht, of een vertoog, zal hem durven vragen: "of hy eigenlijk wel smaak en gezond oordeel heeft."