32
Maar de muzikanten; zy hebben met betrekking tot hun kunstvak zich dezelfde onhoffelijkheid aangewend, die mijn neef NURKS was aangeboren, en ik heb jongelieden ontmoet, uit de beschaafdste kringen, "every inch gentlemen," die op dit punt volstrekt onverdragelijk waren.
Ik geloof dat ik maar niet meer op mijn neef moet terugkomen. Als ik het indenk, weet ik naauwelijks van waar my de vermetelheid is aangewaaid om hem u voor te stellen. Ik vertel u nu maar niet, hoe wy in het Wapen van Amsterdam aan de table d'hote dineerden. Hoe hy halfluid fluisterde over de économie van een paar eenvoudigen, die, tegen 't reglement van den kastelein aan, een halve flesch voor hun beide bestelden, en daarna dreigden zich een indigestie te eten aan den bouilli die na de soep werd rondgediend, in de stellige overtuiging dat er geen ander vleesch komen zou. Hoe zijne blikken later den arm verlamden van een deftig heer met gepoeierd hoofd, die een taaie kip met een bot mes, natuurlijk niet heel handig, voorsneed. Hoe hy een juffertjen, die nog niet veel van de wareld gezien had, en vlak tegenover hem gezeten was, tusschenbeiden zoo ironisch aanzag, dat zy eerst in 't denkbeeld geraakte dat zy onbehoorlijk veel at, en derhalve begon voor alles te bedanken; en vervolgens in de stellige overtuiging kwam dat zy gemorst moest hebben, en al haar best deed om een louk in den spiegel te krijgen, om te weten te komen waar 't zat. Hoe ik, toen wij na den eten de Hertenbaan nog eens omwandelden, in duizend angsten leefde, dat hy een streek met den parapluie zou krijgen van een of ander der met blaauwe jassen geadoniseerde ambachtslieden, die met beminnelijke, beminnende en beminde dienstmeiden aan den arm (uitgedoscht met zwartzijden hoeden en bruine gepalinde omslagdoeken) met groote stappen voortschreden, op welker heeren toilet hy niet nalaten kon de namen van twijfelaar, heel stuk laken, kuitendekker, en sleepjurk toe te passen. Na al dergelijke jammeren kregen wy den goeden, besten, liefdekweekenden en vriendhoudenden ROBERTUS NURKS aan "de Bel" in de diligence. Nog even stak hy het hoofd uit het portier om ons toe te roepen, "Niet veel zaaks!" 't welk het reisgezelschap, op goede gronden, op zich toe kon passen. Daar reed hy heen. Wy wandelden te zamen nog even de poort uit; want ik noem het hek met alle haarlemmers, die de poort gekend hebben, nog altijd met dien naam. En toen wy, over het Hazepadersveld heenblikkende, de zon zagen, die bloedrood onderging, en hare schoone tint mededeelde aan de witte schuimige wolkjens, die als dunne sluiertjens door de lucht dreven, durfde ik BOERHAVE een mooien maandag voorspellen, en vergat hy, in 't vooruitzicht van de bloeiende Aristolochia Clematitis en de levende Boomslak, spoedig geheel en al den beminnelijken bloedverwant, waarmee ik hem had in kennis gebracht.
1839.