38
"Benje d....., mal, kerel," zei de commissaris van policie.
"Moet hy uit dezen wagen komen?" vroeg op hupschen toon de man van het maagdelijk metaal.
"Dat zal ik wezen;" zei ik, eene nadere beschouwing daarlatende van de zorg, waarmee het gezelschapsjuffertjen voor haar hoedendoos was aangedaan, en die zich uitte in de gedurige verzuchting: "Is dat met me goed leven, kondelteur!"
Het mannetjen, dat voor my stond, had zijn opvoeding waarschijnlijk in een weeshuis begonnen, en was nu bezig haar in een diaconiehuis te voltooien. Hy was hoog in de schouders, en stijf van kniën; droeg een langen bruinen duffelschen jas, met het teeken zijner orde op de mouw, en had onder den arm cen versleten portefeuilletjen, waarin de boeken van een of ander leesgezelschap werden rondgebracht.
"Ik moest een boodschap voor meheer doen," zei het mannetjen, dat ik voor ongeveer achtenzestig jaar aanzag, en nu zei meheer, dat ik meteen reis naar de dullezan zou gaan, om te kijken of meheer gekomen was. Uwé moet niet kwalijk nemen, dat ik uwe niet trekt kon."
Nu, daar men de alleronmenschelijkste beul zou moeten wezen, om 't iemand kwalijk te nemen dat hy u niet kent, indien hy u nooit zijn dagen gezien heeft, schonk ik den goeden diaconieburger op dit punt eene volkomene vergiffenis, liet mijn koffertjen, tot dat het afgehaald worden zou, in de "Rustende Moor", en sukkelde met mijn nieuwen kennis naar het huis mijns ooms; onder het faveur van onder weg vriendelijk door hem onderricht te zijn geworden over het doel van een groot gebouw met gothische deuren en vensters, waarop een toren stond met ordentelijke omgangen, appel en weerhaan, 't welk hy zeide de "kerk" te wezen; als ook omtrent een breeden streep groenkleurig vocht tusschen twee hooge gemetselde wallen, ' t welk hy verklaarde de "gracht" te zijn.
"En dit is het huis," zeide hy; zijne oude beenen op een stoep zettende, en een goeden ruk aan een langen bel gevende, met die uitdrukking van gelaat, die by een oud man te kennen geeft: ik kan het toch niet hooren of hy zacht of hard overgaat.
De Ontfangst.
Het duurde een minuut of wat alvorens een eigenaardig sloffen in het voorhuis de aankomst eener bejaarde keukenmeid verried, die eerst natuurlijk den aardappel, waaraan zy bezig was, had moeten afschillen, daarna de bak van haar schoot en haar beide voeten van haar stoof zetten, om vervolgens haar roode muilen aan te trekken, haar neus met het buitenste van haar hand af te vegen, haar eva in de schuinte op te slaan, en den langen weg te aanvaarden, die van de keuken-