39
deur tot aan den barometer twintig, en van den barometer tot de mat zes stappen vergde. In dien tusschentijd bekeek ik den voorgevel van de woning.
Het huis was, als mijn oom, burgerlijk, en schoon het huis ouder was, was hy toch, zoowel als zijn huis, van een vroeger eeuw. Het had een trapgevel, en de bovenste verdieping was met kruiskazijnen in het lood. Het had slechts ééne zijkamer, met twee schuiframen met middelsoort ruiten, versierd door groene gazen gordijntjens op breede koperen roeden, in het midden een weinigjen opengeschoven, om het licht vriendelijk uit te noodigen, wel te willen beschijnen twee bloempotten van mijne tante, onder streng verbod van iets anders in 't vertrek of op te helderen of te verbleeken. Ik was nieuwsgierig of ik ooit in die kamer zou toegelaten worden. In allen gevalle werd ik alvast in 't voorhuis gelaten, en kwam ik spoedig in een achterkamer met een hoog licht, in de onmiddelijke tegenwoordigheid van mijn oom en tante.
De ontfangst was recht hartelijk, en de goede menschen, die my nog nooit in mijn leven gezien hadden, schenen zeer verheugd dat genoegen te smaken, ofschoon gemeld genoegen by den eersten eenigzins scheen verbitterd te worden door de omstandigheid, dat ik juist op een donderdag gekomen was, als wanneer de voorkamer "gedaan werd," zoodat men juist achter zat; waarop mijne moei aanmerkte, dat neef het wel zoo voor lief zou nemen, en dat hy zeker in zijn ouders huis ook wel eens in een achterkamer gezeten had; waarop neef zei, dat het een heele lieve achterkamer was, en dat hy wel van een achterkamer hield; waarop oom zei, dat hy er, al zei hy 't zelf, niet van hield, en tante het met neef eens was dat zy er wel van hield; waarop oom wat bykwam met te zeggen, dat hy er 's avonds nog al van hield; waarop tante en neef zeiden, dat zy er ook 's avonds het méést van hielden; zoodat er met eenparigheid van stemmen besloten werd, dat een achterkamer met een hoog licht des avonds op haar voordeeligst is. Ik ben verplicht hier by te voegen, dat de geheele discussie op de goelijkste en vriendelijkste wijze behandeld werd, terwijl oom zijn ingebrande pijp met een zwavelstok weer op de wijs bracht, en tante de kopjens van 't koffygoed met een minzaam lachjen en een bonten theedoek zat af te droogen. Zy schikte juist de stapeltjens in orde op het blad, toen zy vroeg: "Wel heeremijntijd, HILDEBRAND, had je nou niet nog koffy willen hebben?"
Nu was er op dat oogenblik indedaad niets waarnaar ik vuriger verlangde dan naar een kop koffy; maar daar ik mijn tante verdacht, dat zy het middel om koffy te vermeerderen zou zoeken in de kunst om ze te verdunnen, zoo bedankte ik edelmoediglijk, en zei dat ik straks met oom een bittertjen zou nemen, waarop oom verklaarde, dat hy dat altijd gebruikte als de wagen van tweën voorbykwam.
Met dit vooruitzicht schikte ik mijn stoel wat dichter by den haard