40
waarby mijn oom altijd zat als hy achter zat, ofschoon er nooit in gestookt werd vóór den eersten november, en er dus ook nu geen vuur aanlag, en begon met naar mijn neef PIETER te vragen.
Mijn neef PIETER studeerde te Utrecht in de rechten; maar hoewel ik, by onderscheidene gelegenheden, aan onderscheidene studenten van onderscheidene faculteiten, gevraagd had of zy mijn neef PIETER STASTOK Ook kenden, had ik daarop nimmer een voldoend andwoord ontfangen, zoodat ik, in de onzekerheid der oorzaken, waaraan deze onbekendheid wellicht moest worden toegeschreven, eindelijk begonnen was met niet meer naar mijn neef PIETER STASTOK, maar naar een zekeren student STASTOK te informeeren.
"Gy moest hem al gezien hebben, neef HILDEBRAND," zei de oudere STASTOK, want hy is uitgegaan om u op te wachten."
"Om u op te wachten; herhaalde mijn tante, haar breiwerk in haar schoot latende vallen, en over haar bril heenziende; hy moet u zeker misgeloopen zijn; maar hy zal wel spoedig hier wezen. Hy is tegenwoordig zoo druk aan zijn examen; ik ben eigenlijk bang dat hy wat veel werkt; hy is zoo vlug, weet u!"
En nog naauwelijks had ik den tijd mijn vurig verlangen te uiten om die zeldzame vereeniging van vlugheid en arbeidzaamheid, den jongeren STASTOK te zien, of de bel klonk, de muilen van de keukenmeid sloften, en de stap van den utrechtschen student werd gehoord. Had ik tot nog toe niet de minste notie van mijn heer en neef gehad, zoo ras hy de kamer binnenkwam kende ik hem door en door. Zijn geheele voorkomen sprak collegehouden uit; zijn geheele lichaam dicteerde dictaten. De bleeke kleur, het gebogen hoofd, de stalen bril, de theedoekige das, de sluitjas met dubbele borst, de horologiesleutel, de niet naauwe en niet wijde pantalon, de verschoende laarzen, de floretten handschoenen, de zwarte kapelaansrotting met twee nuflige kwastjens — alles deed den student zien, die van het akademieleven niets kent dan de collegekamers en de thé's der professoren; van de studenten geen andere dan zijn stadgenooten, en de senatoren die hem ontgroend hebben; van de burgers niemand dan zijn hospita; den student, die een kleur krijgt als hy twee, en een straat omloopt als hy een partijtjen van zes studenten tegenkomt; den student, die er over klaagt dat er zoo weinig studenten-broederschap is, en niet weet dat er studenten-vreugd bestaat; den student, die een dispuut zou willen oprichten, waarvan niemand lid zou willen wezen; die van den kok dagelijks vijf borden eten krijgt: één gesneden vleesch, één ingemaakte postelein, één dito andijvie, één gekookte aardappelen, en één rijst met bessennat, omdat hy den moed niet heeft zich aan een tafel te doen voorstellen; den student, die in de societeit duizend angsten uitstaat dat iemand om die courant zal vragen, waarachter hy zich verLergt; en wiens naam de andere studenten voor ' t eerst hooren als zy