41
toevallig op 't college zijn daar hy afgeroepen wordt om te respondeeren. — Zulk een student was zonder twijfel mijn onbekende neef PIETER STASTOK!
"Hoe komt het, PIET! dat je neef HILDEBRAND misgeloopen bent?" vroeg tante verwonderd. De student PIETER STASTOK keerde zich om, om zijne rotting in een hoek te zetten, en zei, dat de diligence verwonderlijk vroeg aangekomen was, eene omstandigheid die zeer zeker wonderlijk was, aangezien wy op weg een oponthoud gehad hadden van een half uur, door 't storten van een der paarden. Hy was eerst nog effen by den boekverkooper geweest, die zijne Instituten inbinden moest, en was toen regelrecht naar de diligence gegaan, maar had tot zijne verbazing gehoord dat die al lang aan was, en dat ik met den knecht was opgewandeld, enz. enz.
De zaak was dat hy een cingeltjen had omgeloopen, tot dat hy zeker wist dat ik reeds lang onder zijn vaders dak zou geétablisseerd zijn, uit vrees van den verkeerden persoon voor my aan te spreken. Nu, indien hy den commissaris van politie getroffen had, hy was voor zes weken een bedorven man geweest!
"De neven moeten nu maar eens goed kennis maken," zei mijn tante, die tot de minzaamste aller schommelige huismoeders behoorde; "ze zijn toch allebei student."
"Ja maar," zei PIETER, nog lang niet gemeenzaam met het denkbeeld van eene kennismaking, "in verschillende vakken."
Dat was waar, en zelfs op verschillende akademiën. Maar ik ben nooit zoo zeer leidsch student geweest, dat ik niet altijd gaarne dronk op de harmonie tusschen de zuster-akademiën, een toast, die immer gedronken wordt, waar utrechtsche en leidsche studenten byeen zijn, maar dien men evenwel niet te druk moet herhalen om geen twist te krijgen. Wat ons betreft, er kwam al spoedig gelegenheid voor een toast; want na nog een woord of wat met PIETER STASTOK, ter informatie wáár hy te Utrecht woonde, waarop het andwoord was ten huize van een catechizeermeester in de Lijsbethstraat; en na een kort gesprek met mijn oom over het nieuws dat er niet was, en een dito met mijn tante over het goudlederen behangsel in de kamer, waarvoor zy ook wel had hooren zeggen dat de muilenmakers te Waalwijk, vóór dat zy door den brand geruïneerd waren, groote sommen hadden willen geven, kwam het diaconiemannetjen (dat ik by deze gelegenheid met den naam van KEESJEN hoorde versieren) binnen met de boodschap, dat de wagen van tweën net voorbyging; waarop tante, na alvorens haar bril te hebben afgezet, opstond, een kastjen opendeed, en daaruit te voorschijn bracht een fleschjen met VAN DER VEENS elixer, een fleschjen met "erger dan de cholera," en drie glaasjens. Oom wenschte my frisschen morgen.
De verdere afloop van dien dag was als gewoonlijk by een eerste