Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/50

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

42

kennismaking. Wy bevielen elkander onderling, en ik werd dikke vrinden met PIETER. 's Middags stal ik het hart van mijn tante nog eens door van scorzeneren te houden, en bewoog mijn oom byna tot tranen door met opgewondenheid van een gestoofden kabeljaauwshom te spreken. Om PIETER ook een genoegen te doen wist ik eenige kennis van zijn vak te verraden, door de definitie van Justitia en van Ususfructus te pas te brengen. Na den middag nam mijn oom een slaapjen by den kouden haard, en ging mijn tante eens naar boven. Daarna dronken wy te zamen recht gezellig thee, zagen de achterkamer op haar voordeeligst, enz. enz.

Mijn oom was iemand wiens grootvader en vader een zeer bloeiende, en die zelf een vrij bloeiende lintwevery gehad had; om de strikte waarheid te zeggen, moet ik bekennen dat hy ze nog had, maar er werd volstrekt niet meer in gewerkt, en op de zolders lag nog een aanzienlijke party oortjensband, die hy liever daar zag verrotten, dan haar onder de markt te verkoopen. Hy behoorde alzoo tot die menschen, die hunne zaken aan kant gedaan hebben, en het uitzicht op verdere winsten opgevende, zich met een vrij aardig inkomen, een onverzettelijken afkeer van stoommachines, en de Haarlemmer Courant te vreden stellen. In den loop van den avond kwam het uit dat hy een byzondere genegenheid had voor het stopwoord "al zeg ik het zelf," alleen overtroffen door de verslingerdheid van zijne echtgenoote aan den uitroep "wel heeremijntijd!" welke termen dit echtpaar buitengewoon beminde; ofschoon ik zeggen moet dat zy ze somtijds afwisselden met de bevallige tusschenvoegsels van: "wat hamer", "goede genadigheid," "och grut" en andere dergelijke vloeken meer die een balk in hun wapenschild voeren. De student PETRUS STASTOKIUS Jun, had daartegen niets in te leggen dan zijne geliefkoosde verzekering "waaràtje, " waarvan ik evenwel, om billijk te zijn, erkennen moet, dat hy in ' t geheel geen misbruik maakte.

 

Hildebrand ziet de stad, en Pieter verstout zich pot te spelen.


Ik wierd des anderen daags om zeven ure wakker, en toen ik de groenen saaien gordijnen openschoof om te zien wat voor weer het was, — welke was mijne ontzetting, te bemerken dat (wy sliepen op dezelfde kamer) PIETER zich reeds geperpendicularizeerd had, en bezig was om, met den bril op, een paar schoone kousen aan te trekken, waarin zijn moeder den vorigen avond plichtmatig hieltjens gemaakt had. De oudere STASTOK was een man van de klok, en stond diensvolgens