43
om zes ure op, ten einde om half acht aan het ontbijt te zijn; en daar hy volstrekt niets te doen had, vulde hy den tusschentijd met pijpjens rooken aan. Opmerkelijk is het, dat naar mate men minder bezigheid heeft men des te bekrompener over den tijd denkt. Indien men den goeden PIETER STASTOK Senior het moeielijke vraagstuk omtrent de zetelplaats van den wil had voorgelegd, zou hy, indien hy daartoe genoegzame tegenwoordigheid van geest gehad had, zijn wijsvinger op twee duim afstands van zijn maag hebben moeten leggen, door die beweging datgene zijner ingewanden aanwijzende, 't welk hy zijn "goud horloge" noemde. En inderdaad, indien ik my door een goud horloge moest laten regeeren, ik zou van zulk een geregeerd willen worden; want een goed, groot, dik en vet uurwerk was het, met twee kasten over elkaar; en daar het iederen morgen, klokke negen uur, met de torenklok werd gelijk gezet, liep het doorgaans volmaakt.
Ik vond mijn oom in de voorkamer (die zulk een heiligdom niet scheen te wezen als ik my wel voorgesteld had) juist daar hy van onder de handen van zijn barbier kwam. Hy had zijn slaapmuts nog op het kale hoofd, daar hy gewoon was die niet voor elf uur met zijn pruik te verwisselen.
"Mooi weertjen, neef HILDEBRAND;" riep hy my toe; "mooi weertjen, al zeg ik 't zelf."
Tante die reeds zat te breien, zett'e, ten gevolge eener zeer oneigenaardige gewoonte, haar bril af, om mijne robe de chambre te bekijken, en na een "heeremijntijd! zijn die dingen weer in de mode?" (het was in 1836) begon zy een optelling van al de japonnen met sjerpen, die haar vader en haar man in vroeger eeuwen gedragen hadden, en die, naar haar voorgeven, nog boven in een kast hingen.
Oom vond dat het veel te gemakkelijk was voor een jong mensch; en in de oogen van PETRUS geleek ik in dit ochtendcostuum zoo volmaakt op de grootste Jannen der utrechtsche akademie, dat hy my, geloof ik, voor een overgegeven lichtmis begon te houden.
De Bijbel werd opengeslagen, en mijn oom las er uit voor. Eerwaardige gewoonte! Waarom is zy zoo byna uitsluitend tot de burgerlijke huishoudens bepaald, en raakt zy ook zelfs daar meer en meer in onbruik? Mijn oom las niet welsprekend, niet mooi, zelfs niet goed op sommige plaatsen — maar het was stichtelijk, want hy las den Bijbel; het was goed, want hy las met eenvoudigheid; het was schoon, want het was hem aan te zien dat hy geloofde. Hy las Luc. X, en byzonder trof my, in dezen kring en uit dien mond, het 21ste vers: "Ik danke u. Vader. Heer des hemels en der aarde, dat gy deze dingen voor de wijzen en verstandigen der aarde verborgen hebt, en hebt ze den kinderkens geopenbaard."
Na den ontbijt ging PIETER "aan zijn examen werken," 't welk be-