44
stond in zeer breedvoerige tabellen van de Instituten te fabriceeren, met roode, blaauwe en zwarte inkt geschreven; en ik volgde hem naar zijn kamer, waar ik my tot koffytijd met een paar boeken bezig hield.
En nu was het oogenblik daar, dat mijn neef my aan de stad en de stad aan my vertoonen zou. Wy gingen dan samen uit, en daar hy een rotting had, liet ik de mijne thuis. Wy zagen dan: eerst de gracht, daarna de korenbeurs, en vervolgens twee kerken, waarin praalgraven, en kosters die een fooi begeerden, als ook in een derzelven een orgel, dat, op het haarlemsche na, het mooiste der wareld was, eene eer die ik te Gouda aan het Goudsche, te Leiden aan het leidsche, te Alkmaar aan het alkmaarsche, te Zwol aan het zwolsche, en nu weder te D, aan het Deesche hoorde toeëigenen, zoodat het de zaak van de 4de klasse des Koninklijken Nederlandschen Instituuts worden zal, om daaromtrent een prijsvraag uit te schrijven. — Wy beklommen zelfs met levensgevaar den toren van een der kerken, en maakten er de opmerking, dat het er woei, en dat er rondom de stad veel weiland, veel water, en veel molens waren. Daarop begaven wy ons naar het stadhuis, en bevonden dat onze voorvaderen nog beter schilderden, en er nóg gezonder uitzagen dan wy; ook had ik tegelijk de gelegenheid het mannelijke voorkomen der Deesche dienders te bewonderen. In zijn ijver om my alles te laten zien, bracht PIETER my zelfs naar den vleeschhal, en over de vischmarkt, en eindelijk aan eene groote vierkante eendenkom, die hij "de haven" noemde. Al voortgaande informeerde hy zich zeer sterk, hoe veel colleges de juristen te Leiden op één dag hadden; en of het by prof. A. fideel was op de thè's; als ook welke colleges gemelde hooggeleerde in ' t hollandsch gaf; en hoeveel of prof. B..dicteerde; of iedereen by prof. C. maar een testimonium krijgen kon; of prof. D. liefhebberycolleges hield, en of ik SMALLENBURG wel eens gezien had; tegen welke berichten hy de zijnen omtrent de uitersche Juris professores met eene eerlijkheid inwisselde, cene betere zaak waardig. Hy verzuimde niet den billijken utrechtschen trots op prof. VAN HEUSDE en op de moeielijkheid van een mathesisëxamen in 't latijn, te pas te brengen; en toen ik 't gesprek voor de afwisseling op lichtvaardiger onderwerpen wendde, kwam het uit, dat hy, PIETER STASTOK, zonder evenwel hartstocht voor die spelen te koesteren, wel eens dominóde, ja zelfs wel eens billartte. En daar wy juist vóór een koffyhuis stonden, noodigde ik hem zich in de laatste kunst met my te meten.
PIETER STASTOK had noch den moed, noch den slag my iets aan te bieden; daarom bestelde ik een bittertjen voor my zelven, en hy insgelijks voor zich. Op dat oogenblik sloeg de klok boven 't buffet twee uren, en zag ik aan den overkant der straat de diligence afrijden, die mijn oom in staat zou stellen ons voorbeeld te volgen.