Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/53

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

45

Er waren vrij wat menschen in het koffyhuis; maar daar wy met niemand dan met het billart te maken hadden, en geen hunner speelde, hinderden zij ons volstrekt niet. PIETER sloeg de mouwen van zijn sluitjas op, en vertoonde de groote gesteven boorden van wat zijn moeder, hoe algemeen europeesch die dracht ook geworden zij, nog altijd een engelsch hemd noemde; daarop verzocht hy den jongen zeer beleefd om eene "goede queue." De jongen gaf hem natuurlijk de beste die in het rek was, en wy trokken wie vóór zou spelen. De eer viel my te beurt, en de party begon.

Wy hadden evenwel nog naauwelijks eenige punten gemaakt, toen een luidruchtig geroep van "pot, jongen!" al onze zaligheden verstoorde. Het geroep kwam van een winderigen jongen advocaat, die pas voor de studentensocieteit te Utrecht bedankt had, en nu nog voorhing op de particuliere societeit te D., en van dit interregnum gebruik maakte, om allendag in het koffyhuis "de Noordstar" pot te maken.

"Vierentwintig uit, mijnheeren! " riep de jongen ons toe, en te gelijk het korfjen schuddende, waarin hy de potballen had, bood hy ze ons aan. Ik trok er een; en met een gezicht, waarover een kleine stuiptrekking scheen te gaan, stak PIETER, dien ik ondertusschen als geen grooten MINGO had leeren kennen, zijn hand almede manmoedig in de korf. Daarop kwamen al de habitués van den pot uit hunne hoeken en vroegen dopjens voor hunne pijpen, de jongen deelde de eigen queues rond, en de jonge advocaat nam in persoon het krijt om op te schrijven.

"Wie van de heeren heeft het aas? "

"Ik, " riep een barsche stem, die aan niemand anders toebehoorde dan aan den heer met de twee jassen over elkaar, dien ik in de diligence voor een commissaris van policie gehouden had; het bleek my echter dat hy volstrekt geen commissaris van policie was, maar wel piqueur der kleine manège die te D, aanwezig was, en tevens eigenaar van de kleine comédie, die aldaar insgelijks bestond.

"Wie van de heeren de twee!"

PIETER STASTOK ging zelf naar de lei om den jongen advocaat in te fluisteren dat hy het was.

"Zoo! zal jy ook pot spelen? " vroeg de jonge advocaat, die als stadgenoot mijn neef wel kende. PIETER werd bleek. De drie had ik. De vier had een bejaard tweede luitenant van de infanterie, met de medaille van twaalfjarige dienst. De vijf had een chirurgijnsleerling, die te veel tijd had. De zes een kort dik man met stoppelig grijs hair, die een graankooper scheen te zijn. De zeven een jong mensch van drieëntwintig jaar, die student geweest was, maar om slecht gedrag thuis gehaald, waarvoor PIETER bang was, te meer daar hy hem zeer gemeenzaam behandelde. Deze scheen de boezemvriend van den bejaarden luitenant der infanterie met de medaille van