47
lig moest trachten te verkoopen, nooit op goedaf speelde, als hy zeker wist dat hy een bal maken kon. Hy maakte; en zoo gebeurde het dat PETRUS STASTOKIUS andermaal op het acquit spelen moest. Hy was nu zoo ver, dat het zweet hem in groote parels op het voorhoofd stond.
"Dat wordt een collé, mijnheer:" riep de barsche stem van den piqueur.
PIETER sprak niet; maar in zijn desperate poging om den geduchten spreker eens niet te logenstraffen, en in een van die dwaze inblazingen van hoop, waaraan slechte spelers somtijds gehoor geven, dat namelijk het goed geluk voor hen zal doen wat hunne kunst niet vermag, raakte hy den acquitbal zoo fijn, dat hy hem, tegen alle etiquette aan, in den linker hoekzak "sneed."
"Dat doet men niet, mijnheer!" riep de piqueur, hevig met de queue op den grond stampende.
"Het was een ongeluk;" stamelde PIETER, die nu zoodanig transpireerde, dat ik vreesde dat zijn bril op den vloed zou afdrijven.
"Het was een lompigheid;" brulde de piqueur.
"Leve het snijen!" riep de chirurgijnsleerling.
"Die mijnheer is gevaarlijk?" schertste de bejaarde luitenant.
"Aas één appèl, drie acquit, vier speelt?" riep de billartjongen. Ik geloof dat mijn neef poogde in een onverschillige houding zijn neus te snuiten, maar het had er niets van. Het derde tourtjen liep goed voor PETRUS af, maar het vierde was geschikt om hem er gantsch onder te werken. De piqueur lag voor den middelzak; het was een gemakkelijke bal; een kind kon hem maken.
"Je kunt hem best sauveeren," zei de piqueur "en goed afkomen ook." Dit was volmaakt overeenkomstig de gezindheden van PIETER; die, uit aanmerking van den snijbal, voor geen geld der wareld hem maken wilde, zelfs al moest hy er slecht op afkomen. Maar daar de piqueur een gevreesd potspeler was, en, sedert onheugelijke jaren, van de drie potjens die gespeeld werden er twee in zijn zak stak, riepen natuurlijk al de anderen: "stop weg; stop weg!"
PIETER stootte niettemin met het voornemen om hem stellig niet weg te stoppen, en toch scheelde het zoo weinig of hy had hem weggestopt, dat de winderige advocaat, die in het gewoel was opgestaan, uitriep: "hy zit!" waarop de verloopen student, die als gezegd is een grappenmaker was, geestig andwoordde: "als hy een stoel had;" waarop allen lachten.
"Wacht wat," riep de chirurgijnsleerling, die voor 't snijen was; " hier is nog een zak!" En inderdaad! PETRUS STASTOKIUS had geheel buiten zijn eigen voorkennis of medeweten een doublé gemaakt, waarop allen juichten behalve de piqueur, die op een grimmige wijze nog een glas bitter be-