Naar inhoud springen

Pagina:Hildebrand, Camera obscura (6e druk 1864).pdf/56

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

48

stelde, en de Goudsche courant opnam, alleen om haar hard weer neêr te smijten.

Men speelde voort, en na al de wederwaardigheden, die hy had doorgestaan, werd mijn vriend PIETER weder vrij kalm, waartoe vooral machtig medewerkte dat hy een paar malen acquit moest leggen. Maar op eens werd zijne rust akelig verstoord door den uitroep van den jongen: vier driemaal, zes acquit, zeven speelt! mijnheer HASTOK (de St was onduidelijk geschreven) de Vlag!"

Nu was er geen eind aan den kortswijl en de grappen van den chirurgijnsjongen, en den verloopen student, en den advocaat, en den jongeling van drieëndertig jaren met den leverkleurigen pautalon. De een noemde hem een Mingo; de ander een blaauwbaard; de derde een boa constrictor; allen te samen: "den mijnheer van de vlag." De bejaarde luitenant, die op drie stond en met den verloopen student geassureerd was, wilde zich doodstooten en hem voor een daalder koopen; de graankooper, die tegen dien manoeuvre was, zei dat PIETER veel te sterk speelde om het aan te nemen; de chirurgijnsleerling bestelde den pokaal voor mijnheer STASTOK, die den pot op "schoon" dacht te winnen; — het was een leven als een oordeel! En onder dit alles stond, met verwilderden blik, het onschuldig voorwerp van al dit rumoer, altijd maar krijt aan zijn queue te doen. De beurt kwam weer aan hem.

"Welke bal?" vroeg hy verward.

"Die witte!" riep de verloopen student, die een grappenmaker was.

"Die ronde!" zei de chirurgijnsleerling, niet minder aardig.

"De beste," zei de leverkleurige pantalon, die ook iets zeggen wou.

"De benedenste," zei de dikke graankooper, die medelijden had. Nu was het zoo gelegen dat het vrij onverschillig was met welken bal de arme PIETER, die geen droogen draad meer aan 't lijf had, op dat merkwaardig oogenblik spelen zou, aangezien beide ballen, de een boven, de ander beneden, stijf en allerstijfst collé lagen; ik herinner my niet in al den tijd dat ik meê gebillart heb — nu slaapt mijn queue voor immer in zijn zelfkanten graf — ooit zulk een stijven collé gezien te hebben. De verloopen student bood mijn neef den bok aan. PIETER zag hem aan met een blik van machteloozen haat, en stootte een voet of drie mis.

"Strijk de vlag!" riep de chirurgijnsleerling. Zy was alreeds gestreken. De piqueur had zich by voorraad gewroken. Van dat oogenblik aan bood de luitenant PIETER een gulden: maar hy was te confuus om te verkoopen. In den volgenden tour maakte ik hem uit medelijden; den daarop volgende verliep hy, en had de satisfactie dat de luitenant hem een beschuitjen voor zijn bal bood; met een mispunt besloot hy, in den voor hem laatsten tour, zijn carrière in het edele ballenspel; en daar hy zeer veel haast scheen te hebben om te