49
vertrekken, brak ik, die nog een enkel appèl te verliezen had, mijn bal op, vooral ook om een einde te maken aan de sollicitatiën van der jongeling met den leverkleurigen pantalon, die nu zichzelven voor een achtentwintig aan STASTOK verkoopen wilde, in welk aanbod hem al de vrolijke jongelui ondersteunden.
Op straat gekomen scheen de frissche octoberlucht PIETER weer moed en pedanterie toe te waaien.
"Daar zijn goede spelers onder," zei hy, maar "toch waaràtje geen een, die eigenlijk uitmunt. Ik had een kromme queue," voegde hy er by, "en heb je wel gezien hoe de hoekzakken trokken?"
Ik had alles gezien, en wist dat de graankooper het potjen zou gewonnen hebben voor wy thuis waren. Het eten stond reeds op tafel. PIETER had geen honger.
Het diakenhuismannetjen vertelt zijne historie.
Drie dagen had ik by de familie STASTOK vertoefd, en in dien tijd was ik groote vrienden met KEESJEN geworden; een paar malen had hy my door de stad vergezeld om my den weg te wijzen als ik boodschappen te doen had, en daar hy als vele oude lieden snapachtig was, en ik in dat gebrek somtijds met vele oude lieden deel, hadden wy dikwijls te zamen vrij wat afgehandeld. KEESJEN was een eenvoudig, braaf, goedaardig mannetjen. Hy had een flaauwe herinnering van zijn vader, die borstelmaker geweest was, en groote zilveren gespen op zijn schoenen had gedragen. Behalve de gespen, herinnerde by zich niets meer van hem dan zijn dood, en hoe hy met een groote huilebalk en langen witten das achter zijn lijk gegaan was; en hoe er toen hy thuis kwam een zwarten doek over den spiegel hing; en hoe hy by die gelegenheid zoo veel geraspte broodtjens had mogen eten als hy wilde; en dat daar een lange moei was by geweest, die zóóveel witten wijn gedronken had, dat een dikke oom gezegd had: "je krijgt niet meer." Zijn moeder had hy nooit gekend. De dikke oom had hem naar 't Weeshuis gebracht; hy had er leeren spellen, en toen was hy op timmeren gedaan; maar hy was te zwak voor dat werk, weshalve men hem by een apotheker besteld had, om fleschjens te spoelen, en te stampen; een baantjen dat juist niet rijk is aan schitterende vooruitzichten. Vijftien jaar had hy er gediend, maar daar hy maar heel weinig lezen kon, en hy dikmaals te gelijk twee halfpints flesschen, drie kinderglazen, een amplet, een likkepot en een pakjen poeders weg moest brengen, was 't hem eindelijk eens gebeurd dat hy den salebdrank gebracht had by iemand die obstructies had, en daarentegen de poeiers met jalappeharst by eene dame die aan diarrhé leed,