51
my te verlustigen in het denkbeeld, hoe goed alles by mijn oom en tante in de verw was, als de plaatsdeur openging en KEESJEN verscheen. Daar hy den geheelen tuin dóór moest om ter plaatse zijner bestemming te komen, en hy bijna zeventig jaar op de schouders torschte, had ik tijds genoeg om op te merken dat er iets aan scheelde. Hy strompelde eerst byna tegen de rollaag aan, waarop hy niet scheen verdacht te wezen, schoon hy er sedert jaren alle morgens om half tien ure overheen moest stappen; hy liet den zondagschen rok van mijn oom, dien hy over den arm had, door het zand sleepen, en voor hy den appelboom voorby was, was de borstel, dien hy in de hand hield, tweemaal gevallen. Als hy nader kwam, zag ik dat zijn wangen zeer bleek en fledsch waren, onder zijn niet zeer netjes onderhouden baard; zijn geheele gelaat was betrokken; zijn oogen waren dof, en toen hy my voorbyging was het niet als anders: "lief weêrtjen, meheer!" maar hy nam zijn hoed stilzwijgend af, en strompelde naar het plaatsjen. Met een diepen zucht trok hy daarop zijn jas uit, zoodat hy my, in zijn eng zwart vest met mouwen, al het magere en gebogene van zijne gestalte zien liet. De roode blikken tabaksdoos, die half uit den eenen vestzak stak, bleef onaangeroerd, en met wederom een diepen zucht hing hy den rok van mijn oom over den knaap. Met een nog dieper zucht greep hy den borstel op, stond eenige oogenblikken in gedachten tegen de hairen op te strijken, en begon toen den rok te borstelen, beginnende met de panden.
"Hoe is 't, KEESJEN! Gaan de zaken niet goed?" riep ik hem toe.
KEESJEN borstelde altijd door. Hy was wat doof.
Wanneer men den volzin herhalen moet, dien men op een eenigzins meewarigen toon heeft uitgesproken, is 't glad onmogelijk het met dezelfde woorden te doen. Ik stond op, kwam een stapjen nader, en zei wat harder:
"Wat scheelt er aan, KEES?"
KEES ontstelde; zag my aan; en bleef my een oogenblik met strakke oogen aanzien; daarop vatt'e hy weer een mouw van mijn ooms zondagschen rok, en begon op nieuw te borstelen. Er liep een traan langs zijn wangen.
"Foei, KEES! " zei ik dat moet niet wezen; ik zie waterlanders, dunkt me."
KEESJEN veegde zijn oogen met de mouw van zijn vest af, en zei: "'t Is een schrale wind, meheer HILDEBRAND."
"Ei wat, KEESJEN!" zei ik, "de wind is niemendal schraal. Maar daar schort iets aan, man! Hebje een courant verloren?"
KEESJEN schudd'e het hoofd, en ging hardnekkiger dan ooit aan 't schuieren.
"KEES!" zei ik: "je bent te oud om verdriet te hebben. Is er iets aan te doen, vrind?"