57
"Als meheer na de regenten gaat," hernam hy, moet meheer maar net doen als of ie van niets weet."
"Ik beloof het u, KEESJEN!"
Ik ging naar mijn oom, en wist hem te bewegen naar de regenten te gaan. De president liet den vader by zich komen, en liet daarna den Vader rondgaan by de andere regenten, om ze tot een extra vergadering te convoceeren. Op die vergadering moest eerst KEESJEN binnenkomen, en vervolgens buiten staan; daarna moest ook de Vader binnenkomen, en vervolgens buiten staan. Daarop werd er een uur gedelibereerd, hetwelk hoofdzakelijk daarmee werd doorgebracht, dat de president gedurig zei dat hy de zaak aan de heeren overliet, en de heeren gedurig zeiden dat zy de zaak aan den president overlieten. Daar het zoo niet blijven kon, bracht eindelijk de president het advies uit, dat het, aan den eenen kant, wel doenlijk was KEESJEN zijn geld terug te geven, daar KEESJEN een man was van voorbeeldig gedrag, die het geld zeker tot aan zijn dood toe zoo goed bewaren zou als de ijverige thesaurierzelve, " (waarop de ijverige thesaurierzelve boog) — "maar dat aan den anderen kant de ijverige thesaurier het weder even zoo goed bewaren zou als KEESJEN, en dat het dus volstrekt niet noodig was KEESJEN in het vooroordeel te stijven dat zijn geld beter bewaard zou worden, en zekerder tot deszelfs, d. i. KEESJENS, doel zou worden aangewend, indien hy, KEESJEN, het zelf bewaarde, dan indien de ijverige thesaurier het bewaarde; en dat dit zijn advies was.
De secretaris meende echter met eenig recht dat dit advies den knoop niet genoeg doorhakte, en stelde dus onder verbetering voor, "tot een van beide de maatregelen over te gaan;" — waarop de thesaurierzelf de edelmoedigheid had afstand te doen van het custodiëeren der penningen in quaestie, en men eenparig besloot aan KEESJEN zijn twaalf gulden, weder behoorlijk in het zeemlederen zakjen vastgenaaid, terug te geven.
KEESJEN heeft nog twee jaren lang zijn geld vlak op zijn hart gedragen. En toen ik in 't verleden jaar het kerkhof te D, zag, was 't my zoet te mogen denken, dat aldaar in het algemeene graf der armen, één man sluimerde, die er eerbiedig was heengedragen door twaalf broeders van zijne eigene keuze, nadat hy, ook eenigzins door mijn toedoen, in de gerustheid was ontslapen dat hy in zijn eigen doodskleed zou worden gewikkeld.
Had hy misschien in zijn laatste oogenblikken nog aan HILDEBRAND gedacht?