62
makelaar uit. Hy vraagt ons naar studentengrappen, die sedert de oprichting der academiën aan alle academien jaarlijks eens gebeurd moeten zijn, die hy gehoord heeft in zijn jeugd, die aan my en aan PIETER verteld zijn, als onder onze laatste voorgangers aan de academie geschied, en die waarschijnlijk nooit hebben plaats gehad, en nooit zullen plaats hebben; en als hy er een opgehaald heeft die heel aardig is, dan vraagt hy dadelijk een baleintjen en steekt zijn pijp door, met een gezicht zoo lang en zoo akelig, dat hy duidelijk aantoont hoe droog komiek hy is. PIETER is onder zijne verhalen afgetrokken, rookt wanhopig door, grinnikt als er een vertelsel, en stopt een nieuwe als er een pijp uit is. Ik sta op heete kolen om eens nader kennis met de dames te maken.
"De heeren zullen zeker liever by den wijnstok blijven?" zegt mijn welgedane tante, vriendelijk omkijkende, en een ruimen witten ketel opbeurende: PIETER wil misschien wel een kopjen slemp?"
"Dat wil ik óók wel, tantelief! " zei ik, en trad naar haar toe, om haar den grooten ketel vooreerst wat lichter te maken, daar zy hem onmogelijk tillen kon. Weet gy voor wie ik inschonk?
Voor een deftige dame, die, als mijn tante, zat te breien, maar toch meer naar de mode gekleed was en de wettige echtgenoot van den commies, echter veel jaren jonger dan hy; voor een jeugdige zuster van dezen haren man, van een veertig jaar, met kalfsoogen, die by haar inwoonde met het voorrecht van de wasch voor haar te doen, haar kousen te mazen, haar hoeden te vermaken, en haar japonnen af te dragen; als ook voor haar dochtertjen KOOSJEN, een meisjen van ik denk zeventien jaren, die er met haar gescheiden bruin hair en rozenrood japonnetjen allerliefst uitzag; en behalve voor tante en myzelven, voor de zeer modieuze gade van den makelaar, die de eenige "mevrouw" van de party was, een énorme muts met vuurrood lint droeg, en een niet minder énorme gouden gesp aan haar ceintuur.
Mejuffrouw van NASLAAN was een zeer wijze dame, die zeer verstandige bevindingen had. Zoo vond zy byv. een kouden tocht altijd erger dan een koude lucht; zoo vond zy altijd, dat het op een heeten dag nog al eens wat helpt als er wat wind is; zoo merkte zy op, dat als men veel verloor, het altijd nog een troost was als men iets behield; zoo had zy ontdekt, dat als men ergens aan gewende, zoo iets gemakkelijker viel dan als men er volstrekt niet aan gewoon was; zoo was zy er zelfs, door vlijtige en innige nasporingen op het stuk der zielkunde, toe gekomen, een wezenlijk onderscheid tusschen menschen en menschen waar te nemen en met grond te kunnen verklaren: dat de eene mensch de andere niet was; en dergelijke verstandige dingen meer, die haar een groote reputatie van knapheid en ervarenheid gaven onder de vrouwen van haar kennis; en daar zy van alle eenvoudige zaken zei, dat er meer achter zat, en alle dingen geestiglijk